Search
Search

Projecten

Strandaanspoelsel Monitoring Project (SMP)

Het SMP (Strandaanspoelsel Monitoring Project) wordt uitgevoerd door strandwachters. Deze lopen eens in de twee weken of maandelijks een vastgesteld SMP-traject bij laagwater over het strand. Daarbij registeren ze alle aangespoelde organismen of resten daarvan. Het gaat daarbij van sponzen, kwallen, zeeanemonen tot schelpdieren, krabben, mosdiertjes en stekelhuidigen naar vissen.

De waargenomen aantallen worden na afloop van de strandwandeling genoteerd op het pdf SMP-formulier of digitaal in het excesheet SMP-formulier. Ook is het mogelijk om de SMP-webapp te gebruiken. Dankzij dit project weten we nu veel meer over de populatieveranderingen van de soorten die vlak voor de kust leven.  

Voor actuele data waarop langs de hoog- en laagwaterlijn gelopen wordt kijk op de activiteiten pagina.

Doelen

  • Het signaleren van populatieveranderingen in de nabije kustzone van circa 80 mariene soorten uit tal van diergroepen
  • Het verkrijgen van ecologische kennis met betrekking tot jaarfluctuaties en seizoensfluctuaties
  • Het signaleren van nieuwe diersoorten, waaronder exoten
  • Het aandragen van informatie ten behoeve van natuurbeleid en natuurbehoud
  • Het vergroting van de belangstelling, de kennis en de waardering voor de Nederlandse onderwaternatuur bij strand- en Noordzee-minnend Nederland.

Geschiedenis

In 1977 besloot een groep leden van de Strandwerkgemeenschap wekelijk het strand bij laagwater te onderzoeken op resten van aangespoelde dieren en wieren. De doelstellingen waren ook toen al zoals die hierboven zijn verwoord. Deze groep van biologen kozen voor een strandtraject van 4 kilometer gelegen tussen Katwijk-Noordwijk. Op 5 november 1977 ging deze zogenaamde Strandwacht Katwijk-Noordwijk van start en tot op de dag van vandaag is deze strandwacht wekelijks actief.  Per soort werden de waargenomen aantallen genoteerd op formulieren. Daarbij werd ook steeds genoteerd in welke hoedanigheid de soorten werden aangetroffen. Zo werden schelpen zonder vleesresten, doubletten (linker- en rechterschelp nog met elkaar verbonden) en schelpen met vleesresten apart geteld. Ook fragmenten van krabben, schilden en vervellingshuidjes werden apart geteld. En juist deze methode maakt het mogelijk vers materiaal van oud materiaal te onderscheiden, waardoor het mogelijk wordt recente veranderingen in nabije kustpopulaties te volgen.

Vanaf 1988 kwamen er op meerdere plaatsen langs de Nederlandse kust andere trajecten bij. In 1994 zijn deze ondergebracht in het landelijke Strandaanspoelsel Monitoring Project (SMP). Dankzij dit project wordt een doorlopend beeld verkregen van eventueel in de nabije kustzone optredende populatieveranderingen en seizoenspatronen. Het gaat daarbij om vele tientallen soorten die in de nabije kustzone leven. Meerdere soorten namen sterk af, andere namen juist spectaculair toe. Van weer andere soorten is het voorkomen een wisselend golfpatroon van komen en gaan. Van onder meer allerlei kwallen en ribkwallen werden de seizoenspatronen duidelijk (in welke maanden ze aanspoelen). Een van de vele onderwerpen waarop het onderzoek zich richt, is de vraag hoe en of de patronen in de loop van de tijd veranderen, mogelijk als gevolg van bijvoorbeeld klimaatveranderingen.

 

Methode

Voorbereidingen

  • Download hier het pdf SMP-formulier van het internet. Of gebruik de SMP-webapp
  • Lees de toelichting die staat bij het invullen van de formulieren. Voor gebruik van de SMP webapp lees de handleiding
  • Vul de gegevens die u steeds moet invullen in op het formulier in en save dit formulier op uw computer
  • Vergeet je determinatietabellen  en de Basisgids Strandvondsten niet mee te nemen
  • Let u standaard niet op bepaalde soorten of categorieën, geef dan op het formulier aan op welke soorten en categorieën u niet gaat letten. Plaats daartoe achter de betreffende soorten in de betreffende kolom 'XX'.

De Strandwacht-inventarisatie

  • Start de inventarisatie één tot een half uur vóór laagwater (afhankelijk van traject).
  • Begin het traject bij de laagwaterlijn. Op de terugtocht wordt de vloedlijn onderzocht.
  • Probeer de aandacht bij het zoeken zoveel mogelijk over die soorten te verdelen (ook al vindt u de ene soort interessanter dan de andere).
  • Bij het schatten van de hoeveelheid aangespoelde materiaal per soort gaat u uit van welke aantallen u heeft gezien op baan van circa 6 meter. Circa 3 meter links van u en 3 meter rechts van u.  
  • Maak tijdens de wandeling aantekeningen van wat u gezien hebt, of maak gebruik van een geprint formulier waarop u aantallen turft. 
  • Er zijn twee belangrijke zoekopties:
  1. Zoek naar alle op het formulier of in de SMP-webapp vermelde soorten.
  2. Zoek alleen naar soorten en categorieën voorzien van een dik gelijnd kader op het formulier

Bij gebruik van het SMP-formulier

  • Noteer in de kop van het formulier de zogenaamde kopgegegevens zoals: waarnemer, datum, begintijd, eindtijd, trajectnummer, trajectnaam, gelopen afstand, zoektijd eblijn en zoektijd vloedlijn.
  • Noteer per soort en per categorie (levend, dood, doublet, enz) de waargenomen aantallen per traject in abundaniteklassen (A1, A2,A3 ..).
  • Noteer aantallen per traject in de vorm van zogenaamde abundantieklassen waarvan de afkortingen op het formulier vermeld worden.
  • Vergeet nooit een A te plaatsen als het om en abundantieklasse gaat, anders wordt aangenomen dat het om werkelijke aantallen gaat.
  • Als een soort niet is gevonden, hoeft u niet de abundantieklasse A0 in te vullen. Een leeg vakje betekent dus dat de soort niet is waargenomen, maar dat er wel naar deze soort is gekeken. 
  • Als u een bepaalde soort nog niet kent of er om een of andere reden niet naar de soort heeft gezocht, noteer dan 'XX'. Stel dat u tot 1994 een bepaalde soort krab niet goed kent en u denkt: 'Ach laat ik maar niets invullen, XX staat ook zo dom'. In 1994 gaat u zich eens verdiepen in de betreffende diergroep en nadien herkent u de soort gemakkelijk, met als gevolg dat u de soort vaak waarneemt. Na analyse van de gegevens lijkt het dan net of die soort enorm is toegenomen, terwijl daar infeite niets over gezegd kan worden. Dus 'XX' op een formulier staat zeker niet dom, maar betekent dat u het idee achter het systematisch onderzoek goed door heeft.
  • Als u het aantal heeft geschat kan u gebruik maken van AX (soort of categorie was aanwezig, maar op aantallen is niet gelet).
  • Betrek bij het schatten van de aantallen zoveel mogelijk de gave exemplaren. Stukjes skelet van bijvoorbeeld de Zeeklit dienen niet bij de tellingen te worden betrokken. Als vuistregel kunt u aanhouden dat driekwart van het organisme (of skelet) in takt moet zijn. Kleinere fragmenten dus niet bij de telling betrekken en als u de waarneming te interessant vindt om verloren te laten gaan, vermeld die dan onder 'bijzondervondsten'.
  • Schat van kolonievormende organismen, zoals Zeemos, Penneschaft, Gorgelpijppoliep, Doorschijnende zeevinger, Harige vliescelpoliep en Bladachtighoornwier, maar ook van eikapsels van de Wulk het aantal plukjes of stukjes.Geef bij de opmerkingen eventueel enige informatie over de grootte van de stukjes.
  • Exemplaren die ten gevolge van een kornetvisser of op andere onnatuurlijke wijze op het strand zijn beland, mogen niet bij de tellingen worden betrokken. Noteer deze vondsten als bijschrijfsoorten bijvoorbeeld op de achterzijde van het formulier. Omdat kornet-vissers nog wel eens vangsten op het strand laten liggen, is het van belang te vermelden of u kornetvissers heeft waargenomen, zodat bijzondere vondsten toch met enige voorzichtigheid kunnen worden geinterpreteerd.
  • Bij het opslaan van het Excelsheet gebruik de volgende naam SMPE12_TR_DD_MM_JJJJ_XX.xlsx.
    Waarbij TR=Traject nummer, DD= is de dag, MM= maand, JJJJ = Jaar en XX=01 als je maar één formulier hebt van een bepaalde waarnemingsdatum.
 
Bijschrijfsoorten op het formulier noteren
  • Noteer in het vak Bijschrijfsoorten de soorten die niet op het formulier staan, maar die u wel heeft waargenomen.
  • Noteer bij een bijschrijf soort ALTIJD de hoedanigheid (categorie) waarin de exemplaren zijn gevonden: levend, dood, doublet, schelp met vleesresten. De te gebruiken afkortingen van de categorieën staan op het standaard SMP-formulier. Noteer ook eventuele bijzonderheden, zoals aangespoeld op krat, vastgehecht aan plank, besmeurt met olie, enz.
  • Als u kwalvlooien heeft waargenomen, noteer dan bij de opmerkingen ook de kwalsoort waarin deze zijn gevonden.
  • Als u het Krabbezakje heeft waargenomen noteer dan bij de opmerkingen ook de krabbensoort waarin deze parasiet is waargenomen.Als u een exemplaar heeft gevonden die u niet gemakkelijk kan determineren, is het zeer aanbevelenswaardig deze te sturen naar Stichting ANEMOON. Dan wordt gezorgd dat uw waarnemingen terecht komen bij de juiste specialist. Zorg wel voor conservering in 70% alcohol en deugdelijke verpakking. U kunt ook goede foto's opsturen.

 

Bij gebruik van de SMP-webapp

Bestudeer de handleiding in de SMP-webapp

 

Resultaten

 

SMP trajecten in Nederland

Locatie - Coördinator

Nederland - Adriaan Gmelig Meyling

Ameland - Petra de Jong

Texel - Loran Kleine Schaars

Petten - Trudy Kuhne

Camperduin - Yvonne Koning

IJmuiden - Alie Postma

Langervelderslag - Ellen van der Niet

Katwijk-Noordwijk - Marijke Kooiman

Kijkduin - Gerda Idsinga

Zandmotor Noord - Sjoerd Groos

Hoek van Holland - Adriaan Gmelig Meyling

Goeree - Katie van der Wende

Westenschouwen - Julia van Beinum

Neeltje Jans - Elly Jacobusse

Koudekerke - Cobi de Lange

Cadzand - Ewald de Backere

Vorig artikel Litoraal Inventarisatie en Monitoring Project (LIMP)
Volgend artikel HabSlak-project Natura2000

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

Mariene soorten en ecologie

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

Back To Top