Search
Search
 
Zoeken
 
 
Zoeken
Biotoop
Project
 
   
 
Groepen
 
 
Groenwieren (7)
Roodwieren (11)
Bruinwieren (13)
Waterplanten (2)
Sponzen (21)
Bloemdieren (15)
Hydropoliepen (23)
Schijfkwallen (7)
Steelkwallen (1)
Ribkwallen (5)
Ringwormen (1)
Borstelwormen (24)
Hoefijzerwormen (1)
Snoerwormen (5)
Kelkwormen (1)
Platwormen (1)
Naaktslakken (63)
Tweekleppigen (117)
Huisjesslakken (106)
Stoottanden (1)
Inktvissen (21)
Keverslakken (3)
Schildvoetigen (1)
Zeespinnen (3)
Krabben (24)
Kreeften (3)
Garnalen (11)
Heremietkreeften (3)
Aasgarnalen (2)
Vlokreeften (14)
Rankpotigen (6)
Zeepissebedden (3)
Mosdiertjes (15)
Zeesterren (6)
Zee-egels (3)
Zakpijpen (16)
Vissen (127)
Zeezoogdieren (4)
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 660 items in 66 pages
ZoekbeeldKenmerken
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 660 items in 66 pages
Boothoren
Scaphander lignarius

Boothoren
Scaphander lignarius

Mariene huisjesslak. Tot 15 mm. Tamelijk dunwandige  maar stevige schelp met een zeer wijde mondopening. De laatste winding sluit alle voorgaande in. De mondrand steekt een weinig boven de schelp uit. De top ligt geheel verzonken. Boven- en onderkant afgerond. Sculptuur van vage groeven. Noordzee, dieper water.
Main Image
 
Scaphander lignarius Mariene huisjesslak. Tot 15 mm. Tamelijk dunwandige  maar stevige schelp met een zeer wijde mondopening. De laatste winding sluit alle voorgaande in. De mondrand steekt een weinig boven de schelp uit. De top ligt geheel verzonken. Boven- en onderkant afgerond. Sculptuur van vage groeven. Noordzee, dieper water.Afmetingen: H. tot 15 mm, B. tot 9 mm.
Schelpkleur: Crèmewit, met in de spiraalgroeven donkerbruine lijntjes. De mondopening is van binnen wit. Opperhuid bruingrijs tot roestbruin.
Schelpvorm: Tamelijk dunwandig maar stevige horen, met een zeer wijd oorvormig uitgegroeide laatste winding die de eerdere windingen volledig insluit. Geen top: deze ligt verzonken in de schelp. Boven- en onderkant afgerond. Geen operculum.
Sculptuur:  fijne spiraalgroefjes, deels opgebouwd uit putjes. Daarnaast in de lengte fijnere groeilijnen.

Dier: In kruipende toestand tot ruim 18 mm. Kopschild lang, ovaal afgerond, voorzijde in het midden wat ingedeukt. Aan de achterkant uitlopend in langwerpig-driehoekige, brede tentakelvormige flappen die de voorkant van de schelp voor een deel afdekken. Mondopening met een rasptong, in de maag zitten drie onverkalkte, hoornachtige kauwplaten. Voet met aan de zijkanten grote, lange, dunne flappen die de schelp over de gehele lengte omvatten, maar elkaar bovenop niet raken. Aan de achterzijde nog een achterste flap (pallial lobe) die de topzijde van de schelp deels kan omvatten. Lichaamskleur grijswit met een geeloranje of bruinachtige zweem.
 

Van Noorwegen en IJsland tot de Canarische Eilanden. Ook in de Middellandse Zee. Van deze soort bestaan slechts weinig meldingen van het NCP. Deze zijn alle afkomstig uit dezelfde 10 x 10 km-hokken in het centrale deel. Recente waarnemingen komen uit een 10 x 10 km-hok in het noordelijke deel van het NCP.

Op het strand: Uiterst zeldzaam en vermoedelijk groetendeels fossiel.

Van het sublitoraal tot een diepte van 1.500 m. De soort komt voor op fijnzandige, vaak slibrijke sedimenten. De dieren zijn ongetwijfeld carnivoor, maar het voedsel is onbekend. Zelf vormen ze voedsel voor onder meer kabeljauwachtigen. Over de voortplanting, het voortplantingsseizoen, de groei en levensduur konden geen gegevens worden getraceerd. Hoogstwaarschijnlijk zijn de dieren hermafrodiet en worden ze meerdere jaren oud. 139488Nederland SMP|ANM
Bos-glimslak
Zonitoides arboreus

Bos-glimslak
Zonitoides arboreus

Landslak. Exoot/ingevoerde soort in Nederland. Tot 5 mm. Geelbruin, glimmend, iets doorschijnend. Huisje schijfvormig met tot 4,5 iets verhoogde beginwindingen en een diepe navel. Laatste winding iets samengedrukt en soms licht gekield. Sculptuur van onregelmatige fijne spiraallijntjes en groeilijnen. Op vochtige plaatsen in bossen (ook in naaldbos). Soms ingevoerd met tuinplanten. [Ook bekend van St. Eustatius - Bes-eilanden]

Main Image
 
Zonitoides arboreus 

Landslak. Exoot/ingevoerde soort in Nederland. Tot 5 mm. Geelbruin, glimmend, iets doorschijnend. Huisje schijfvormig met tot 4,5 iets verhoogde beginwindingen en een diepe navel. Laatste winding iets samengedrukt en soms licht gekield. Sculptuur van onregelmatige fijne spiraallijntjes en groeilijnen. Op vochtige plaatsen in bossen (ook in naaldbos). Soms ingevoerd met tuinplanten. [Ook bekend van St. Eustatius - Bes-eilanden]

  Nederland (ingevoerd: exoot). BES-eilanden. St. Eustatius.  819980NederlandLandANM
Bot
Platichthys flesus

Bot
Platichthys flesus

Zeevis. Ook in brak en zelfs zoet water. 30-40 (tot 60) cm. Wat plompe ovale platvis die, zoals alle platvissen, in feite op de zij zwemt: de bovenkant is de rechter zijkant. Kenmerkend is dat de huid van de Bot zichtbaar gladder is en de zijlijn en de basis van de rug- en anaalvin voorzien zijn van knobbeltjes.  

Main Image
 
Platichthys flesus 

Zeevis. Ook in brak en zelfs zoet water. 30-40 (tot 60) cm. Wat plompe ovale platvis die, zoals alle platvissen, in feite op de zij zwemt: de bovenkant is de rechter zijkant. Kenmerkend is dat de huid van de Bot zichtbaar gladder is en de zijlijn en de basis van de rug- en anaalvin voorzien zijn van knobbeltjes.  

Afmetingen: Lengte tot 60 centimeter.
Kleur: Grijsbruin donkerbruin of groenachtig met soms (maar niet altijd) donkere en lichte vlekjes, soms oranje vlekjes.
Vorm: Ovaalronde platvis. Dikker en vleziger dan de meeste andere platvissen. Op de zijlijn staat een rij knobbeltjes.
Vinnen: Rugvin aan rechterzijde, staartvin recht.

 Noordoost Atlantische Oceaan, Oostzee, Noordzee. In Nederlandse wateren langs de kust en in de estuaria algemeen, jonge exemplaren ook in het IJsselmeer en in de laaglandrivieren.

De Bot wordt van alle platvissen het meest op hard substraat van de onderwateroever aangetroffen. De soort is goed aangepast aan wisselende zoutgehalten en kan ook tot ver in het zoete water voorkomen. Het voedsel bestaat vooral uit garnalen.

 127141NederlandZoutwater|BrakwaterMOO
Botervis
Pholis gunnellus

Botervis
Pholis gunnellus

Mariene vissoort. Tot 25 cm. Dunne, slangachtige vis met kleine kop. Donkerbruin, met op de overgang van rug naar rugvin 9 tot 15 donkere stippen  (oogvlekken) met een wat lichtere rand daar omheen. Staart klein. Op de rug een lange, lage rugvin. Anaalvin half zo lang. Getijdenzone en dieper, tussen stenen, wier, wrakken en  schelpenbanken.

Main Image
 
Pholis gunnellus 

Mariene vissoort. Tot 25 cm. Dunne, slangachtige vis met kleine kop. Donkerbruin, met op de overgang van rug naar rugvin 9 tot 15 donkere stippen  (oogvlekken) met een wat lichtere rand daar omheen. Staart klein. Op de rug een lange, lage rugvin. Anaalvin half zo lang. Getijdenzone en dieper, tussen stenen, wier, wrakken en  schelpenbanken.

Afmetingen: Meestal 18-20 cm (tot 25 centimeter).
Kleur
: Lichtgroen of meer geelachtig tot bruin, met aan de zijkanten onregelmatige, donkerdere, min of meer dwarsgplaatste, grijsbruine vlekken. Op de overgang van de rug naar de rugvin liggen op een rij 9 tot 15 meestal zwarte stippen (oogvlekken), waaromheen een wat lichtere rand zit. Meestal loopt een donkere lijn door de ogen tot aan de mondhoeken. In het paaiseizoen, van eind november tot februari, kleuren de kop en de vinnen geel.
Vorm: Dunne, slangachtige vis met een langgerekt, zijdelings afgeplat lichaam met een zeer kleine en smalle kop, waarin bovenaan de kleine oogjes zitten. Ogen klein en voor op de kop gelegen. Mond omhooggericht, met dikke vlezige lippen en minieme tandjes in de boven- en onderkaak. Staart klein.
Vinnen
: Vanaf de kieuw tot aan de staart loopt een lage, lang doorlopende rugvin. De anaalvin op de buikzijde is ongeveer de helft van de rugvin. Beide vinnen zijn niet vergroeid met de zeer kleine staartvin. Buikvinnen ruimentair met één stekeltje en één vinstraal. In de rugvin liggen korte stevige stralen. Borstvinnen klein, bezet met kleine stekeltjes.
Overig:
De naam dankt de vis aan de glibberige huid. Vinstralen: in de rugvin circa 75 of meer. 

 N-Atlantische Oceaan. Eigenlijk een meer noordelijke soort, voorkomend aan beide zijden van de Noordelijke Atlantische Oceaan. In Europa vanaf IJsland, Noorwegen en Zweden en in delen van de Witte Zee en IJszee), via de Oostzee, de Britse eilanden en de Noordzee tot Nederland, België en de Noord-Franse kust kust. In Nederland vooral in Zeeland en het Waddengebied regelmatig in ondiep water en in het getijdengebied, tussen hard substraat en op wrakken.  Vroeger ook in de noordelijke delen van de brakke Zuiderzee.

Botervissen leven op diepten vanaf het getijdengebied tot ongeveer 30 meter (maximaal circa 100 meter). Steeds dicht bij de bodem op (meestal stenige) bodems met veel schuilmogelijkheden. Onder andere op oester- en mosselbanken (schelpenriffen), in rotspoeltjes en tussen zeewier. Soms ook tussen losgespoelde veenbanken in de bodem. In de Noordzee ook vaak op wrakken. Het voedsel bestaat uit ongewervelden als wormen, kleine kreeftachtigen, zeepokken en weekdieren. In het paaiseizoen (december tot februari) zet het vrouwtje tot 200 eieren af in een grote ronde kluwen, vaak in een lege tweekleppige schelp, een slakkenhuis of onder een steen. De eieren worden tot het uitkomen verdedigd door het mannetje. De larven zijn dan circa 9 mm. De soort wordt tot ca. 5 jaar oud.

 126996NederlandZoutwaterMOO|LIMP|SETL
Braam
Brama brama

Braam
Brama brama

Mariene vissoort (zeevis). Diepwatersoort. 40 cm (tot 100 cm). Rugzijde donker groengrijs, flanken zilverachtig bij levende vissen, maar zwart indien dood. Lichaam zijdelings afgeplat en hoog. Stompe platte kop, oog in het midden. Kleine bek met scherpe tandjes. Eén driehoekige rugvin met een veel smallere achterkant. Anaalvin idem. Staartvin sterk gevorkt en sikkelvormig. Borstvinnen  lang, smal en puntig. Over het hele lichaam, behalve de snuit, kleine maar duidelijke schubben. Rugvin met 3-5 harde en 30-32 gewone vinstralen. Schaarse dwaalgast. In de Noordzee alleen in de winter. Spoelt in sommige jaren veel aan.
Main Image
 
Brama brama Mariene vissoort (zeevis). Diepwatersoort. 40 cm (tot 100 cm). Rugzijde donker groengrijs, flanken zilverachtig bij levende vissen, maar zwart indien dood. Lichaam zijdelings afgeplat en hoog. Stompe platte kop, oog in het midden. Kleine bek met scherpe tandjes. Eén driehoekige rugvin met een veel smallere achterkant. Anaalvin idem. Staartvin sterk gevorkt en sikkelvormig. Borstvinnen  lang, smal en puntig. Over het hele lichaam, behalve de snuit, kleine maar duidelijke schubben. Rugvin met 3-5 harde en 30-32 gewone vinstralen. Schaarse dwaalgast. In de Noordzee alleen in de winter. Spoelt in sommige jaren veel aan.

Afmetingen: Gemiddeld 40 cm (maximaal 100 cm).

Kleur: De rugzijde is donker groengrijs tot bruin, de flanken zijn zilverachtig. (Na de dood verkleuren de vissen naar zwart).

Vorm: Diepwatersoort met een sterk zijdelings afgeplat en hoog lichaam met een stompe platte kop. Het lichaam is sterk zijdelings afgeplat en hoog, met een gedrongen bouw, met een stompe platte kop met in het midden een relatief groot oog. De bek is verhoudingsgewijs klein, bovenstandig en heeft scherpe kleine tandjes.

Vinnen: Eén rugvin die iets voor het midden begint, aanvankelijk hoog-driehoekig is, maar naar achteren veel smaller wordt. De anaalvin heeft ongeveer dezelfde vorm, maar begint aanzienlijk verder naar achteren (achter het midden). De staartvin is sterk gevorkt en sikkelvormig. De borstvinnen zijn opvallend lang, vrij smal en lopen in een scherpe punt uit. De buikvin is klein.

Sculptuur: Over het hele lichaam, uitgezonderd de snuit, zitten relatief kleine, maar wel duidelijke schubben. Op de zijlijn zijn dat er 70-90.

Nadere kenmerken: Vinstralen: rugvin met 3-5 harde en verder 30-32 zachte vinstralen, anaalvin met 2-3 harde en 27-28 zachte vinstralen.

 Kosmopolitische dieplevende vissoort. Atlantische Oceaan, Indische Oceaan en de Grote Oceaan. De noordelijke grens van het verspreidingsgebied kan jaarlijks wisselen. De populatie in het oosten van de Atlantische Oceaan trekt na het paaien in de zomermaanden van Portugal naar Schotland en noordelijker, op zoek naar voedsel. Al fouragerend komen ze in noordelijke regionen in de meer ondiepere wateren terecht. In het najaar trekken ze weer terug zuidwaarts, waarbij ook groepen als dwaalgast in de Noordzee komen. Als het zeewater te snel afkoelt en de dieren bij storm in ondiep water terechtkomen, kunnen ze in de wintermaanden november-januari invasiegewijs aanspoelen. Bekende 'bramenjaren' waren o.a. 1976, 1979 en 2008 en 2009, toen op de Waddeneilanden en de Hollandse, Zeeuwse en Belgische stranden in de maand december alsmaar nieuwe exemplaren aanspoelden.Leeft vrijzwemmend op diepten tussen circa 70 en enkele honderden meters (in de literatuur wordt wel 1000 m genoemd). De paaitijd valt in de zomermaanden in sub-tropische wateren. Het voedsel bestaat uit kreeftachtigen, wormen, weekdieren en kleinere vissen. Door de borstvinnen te spreiden kan de  soort langere tijd bewegingloos in het water stilstaan. De dieren kunnen tot 9 jaar oud worden. 126783NederlandZoutwater 
Brakwatergrondel
Pomatoschistus microps

Brakwatergrondel
Pomatoschistus microps

Zeevis. Ook (vooral) in brak water, soms bijna zoet. Tot 7 cm. kleine grondelsoort. Zandkleurig tot grijs, flanken met donkere vlekjes. Bovenkant kop tot de eerste rugvin glad. Driehoekige donkere vlek op de basis van de borstvinnen. Donkere band over de basis van de staartvin. Borstvinnen met zwarte, driehoekige vlek.

Main Image
 
Pomatoschistus microps 

Zeevis. Ook (vooral) in brak water, soms bijna zoet. Tot 7 cm. kleine grondelsoort. Zandkleurig tot grijs, flanken met donkere vlekjes. Bovenkant kop tot de eerste rugvin glad. Driehoekige donkere vlek op de basis van de borstvinnen. Donkere band over de basis van de staartvin. Borstvinnen met zwarte, driehoekige vlek.

Afmeting: Lengte tot 7 cm.
Kleur
: Zandkleurig tot grijs, met zwarte vlekjes op de flanken en een donkere vlek op de basis van de borstvinnen. Over de basis van de staartvin loopt een donkere band.
Vorm:
Grondelachtig lichaam met bredere kop met sikke lippen en de ogen hoog in de kop geplaatst. Bovenkant van de kop tot eerste rugvinstraal glad, schubloos.
Vinnen
: Twee rugvinnen gescheiden van elkaar. Buikvinnen vergroeid tot zuignap, waarmee ze zich kunnen vastklemmen.

In Nederland lange tijd algemeen in de Waddenzee. Mogelijk afgenomen, aanvullende data zijn gewenst.N-Atlantische Oceaan, Noordzee, Oostzee. Vooral regelmatig voorkomend in Brakwatergebieden (o.a. in het Noordzeekanaal).Brakwatergrondels zijn bodembewoners. Ze leven vooral in stroomgeulen. Ze kunnen schommelingen in temperatuur en vooral zoutgehalte goed verdragen en komen vooral in brak water voor. Daar o.a. samen met Zwarte grondel en Dikkopje. Het voedsel bestaat uit diverse kleinere bodemorganismen, o.a. wormen en kleine kreeftachtigen.Elders (Ierse Zee) trekken de dieren als de temperaturen beneden 5º C komen zeewaarts.126927NederlandBrakwaterMOO
Brakwater-knotsslak
Tenellia adspersa

Brakwater-knotsslak
Tenellia adspersa

Zeenaaktslak. Ook (vooral) in brak water. Tot 8 mm. Kleine en onopvallende soort. Kop plat en breed afgerond. Tentakels ontbrekend of gereduceerd. Hoeken van het mondveld puntig uitgetrokken, achterwaarts gericht, zodat een helmvormige kop ontstaat. Rhinoforen glad, cilindrisch en langer dan de papillen. Slanke, niet knotsvormige papillen in 4-6 gepaarde rijen van 1-3 papillen. O.a. in brak water in het Oostvoornse Meer, Veerse Meer, Noordzeekanaal, Texel, Harlingen en Den Oever.
Main Image
 
Tenellia adspersa Zeenaaktslak. Ook (vooral) in brak water. Tot 8 mm. Kleine en onopvallende soort. Kop plat en breed afgerond. Tentakels ontbrekend of gereduceerd. Hoeken van het mondveld puntig uitgetrokken, achterwaarts gericht, zodat een helmvormige kop ontstaat. Rhinoforen glad, cilindrisch en langer dan de papillen. Slanke, niet knotsvormige papillen in 4-6 gepaarde rijen van 1-3 papillen. O.a. in brak water in het Oostvoornse Meer, Veerse Meer, Noordzeekanaal, Texel, Harlingen en Den Oever.

Afmetingen: Lengte tot 8 mm.
Kleur: De lichaamskleur is transparant wit tot lichtbruin, met helderwitte, bruine of zwarte vlekjes. Het donkere vlekkenpatroon kan zo dicht zijn, dat de dieren bijna zwart lijken. De papillen zijn gevuld door de vertakkingen van de middendarmklier en geelachtig, lichtbruin of grijs. In de top van de papillen zit een duidelijk zichtbare witte cnidosac, niet gemaskeerd door witte pigmentvlekken. De rhinoforen en uitgetrokken hoeken van het mondveld zijn ongepigmenteerd. In brak water is het lichaam vaak ongevlekt lichtroze.
Vorm: De kop is plat en breed afgerond. Tentakels ontbrekend of  gereduceerd. De hoeken van het mondveld zijn puntig uitgetrokken en steken achterwaarts, zodat een karakteristieke helmvormige kop ontstaat. Rhinoforen glad, cilindrisch en langer dan de papillen. De papillen staan in 4-6 gepaarde rijen van 1-3 papillen en zijn slank, niet knotsvormig.

Eieren: In Nederlandse brakwatergebieden zijn eieren gevonden van het voorjaar tot het midden van de herfst. Ze vormen een compact, gelatineus, min of meer boonvormig bolletje. Elk ouderdier kan meerdere pakketjes produceren.

 Oostzee, Britse Eilanden en Noordzee, Atlasntische kust tot in de Middellandse Zee. Elders onder andere bekend van Japan, Brazilië en de noordoostkust van Amerika. Met name in havens via ballastwater of en aangroei op scheepswanden verspreid.
In Nederland o.a. bekend van het Oostvoornse Meer, Veerse Meer, Noordzeekanaal, de buitenhaven van IJmuiden, Texel, Harlingen en uit brakwaterpoeltjes bij Den Oever. Zeker te verwachten in andere brakwatergebieden, havens en kanalen, maar vaak over het hoofd gezien door de geringe afmetingen en doordat in deze wateren maar weinig naar zeenaaktslakken wordt gezocht.
De soort komt vooral voor in water met een verminderd zoutgehalte, met concentraties tot ca. 3‰. Het voedsel bestaat uit hydropoliepen, met name de Brakwaterpoliep Cordylophora caspia, maar ook andere soorten, zoals Lange zeedraad Obelia longissima en Gonothyraea loveni. De soort kan de ei-afzetting reguleren: eitjes afgezet in zeewater zijn kleiner (ca. 70 μm), maar groter in aantal en ontwikkelen zich in 3-5 dagen bij een watertemperatuur van 15-25° Celsius. Eitjes afgezet in brak water zijn groter (ca. 100 μm), maar kleiner in aantal en ontwikkelen zich in 6-8 dagen bij dezelfde watertemperatuur. 141639NederlandBrakwaterMOO|ANM
Brakwaterkokkel
Cerastoderma glaucum

Brakwaterkokkel
Cerastoderma glaucum

Tweekleppige uit brak water. Tot 50 mm. Crèmewit met bruin, binnenzijde vaak deels paarsbruin. Opperhuid groenbruin. Vrij dunschalig. Langwerpig met  verlengde achterkant. Meestal 23 (18-32) radiale, iets verheven tot zwak gekielde ribben, bezet met schubjes. Groeven tussen ribben smaller dan de ribben, aan de binnenkant doorlopend tot bij de top. De korte slotband ligt direct achter de top. In rustig, niet droogvallend (brak) water. Meestal binnendijks.
Main Image
 
Cerastoderma glaucum Tweekleppige uit brak water. Tot 50 mm. Crèmewit met bruin, binnenzijde vaak deels paarsbruin. Opperhuid groenbruin. Vrij dunschalig. Langwerpig met  verlengde achterkant. Meestal 23 (18-32) radiale, iets verheven tot zwak gekielde ribben, bezet met schubjes. Groeven tussen ribben smaller dan de ribben, aan de binnenkant doorlopend tot bij de top. De korte slotband ligt direct achter de top. In rustig, niet droogvallend (brak) water. Meestal binnendijks.

Afmetingen: L. tot 50 mm, H. tot 40 mm. Schelpkleur: Wit, binnenzijde vaak met paarsbruine vlekken. Opperhuid groenig bruin.
Schelpvorm: Vrij dunschalig. Langwerpig van vorm met een duidelijk verlengde achterkant. De top ligt niet in het midden.
Sculptuur: Meestal 23 (18-32) radiale ribben die iets verheven tot zwak gekield zijn, al dan niet dicht bezet met schubjes. De groeven tussen de ribben zijn smaller dan de ribben en lopen aan de binnenkant tot bijna onder de top door.
Slot: Heterodont. In beide kleppen 1 cardinale tand, in de linkerklep 1 voorste en 1 achterste laterale tand, in de rechter 2 voorste en 2 achterste. De uitwendige slotband ligt direct achter de top en is korter dan die van de (gewone) Kokkel.

Dier: Twee zeer korte, slechts deels vergroeide sifonen, die ongelijk in lengte zijn, met korte maar duidelijke tentakelkransjes. Voet vrij kort en bijlvormig.

 

Van de Oostzee tot de Atlantische kust van Marokko, de Middellandse Zee, Zwarte Zee tot de Kaspische Zee en het Aralmeer. Vaak in getijloze binnendijkse brakke wateren (meren, plasjes, kanalen, sloten), of in kwelderkreken met zwak stromend water. Elders ook in grotere getijdenwateren.
In Nederland plaatselijk in binnendijks brakwater in Zuid-Holland, Zeeland en op de Waddeneilanden. Relatief zeldzaam. Zelden buitendijks.

Op het strand: Oude, losse (Holoceen-fossiele) kleppen spoelen regelmatig aan op het strand langs de hele kust. Verse exemplaren alleen nabij plaatsen waar de soort autochtoon voorkomt.

Karakteristiek voor niet droogvallende brakke en rustige wateren binnendijks met sterk wisselende zoutgehalten en temperaturen. Het zoutgehalte ligt meestal tussen ca. 5 en 25‰, met een optimum rond14-15‰. De dieren leven vaak deels ingegraven op fijnzandige of slikrijke bodems, op waterdiepten van enkele decimeters tot tientallen meters. Ze kunnen zich actief verplaatsen. Het voedsel wordt uit het water gefilterd en bestaat uit detritus, diatomeeën en eencellige algen. Zeer koude winters kunnen veel sterfte veroorzaken. De dieren zijn van gescheiden geslacht. Ei-afzetting en bevruchting via de waterkolom. De dieren zijn geslachtsrijp in hun eerste levensjaar. Leeftijd: 4-5 jaar. 138999NederlandBrakwaterSMP|ANM
Brakwatermossel
Mytilopsis leucophaeata

Brakwatermossel
Mytilopsis leucophaeata

Tweekleppige uit brak tot bijna zoet water. Exoot/ingevoerde soort. Tot 23 mm. Bruin met soms met een vage tekening van dwars verlopende zigzagstrepen. Opperhuid vezelig, zwartbruin. Binnenzijde lichtblauw of grijswit. Matig stevige, langwerpig-driehoekige schelp. In dwarsdoorsnede gebogen. Onder het septum aan de binnenzijde van de schelp zit een lepelvormig uitsteeksel. Hecht zich met byssusdraden aan hard substraat. O.a. in het Noordzeekanaal.
Main Image
 
Mytilopsis leucophaeata Tweekleppige uit brak tot bijna zoet water. Exoot/ingevoerde soort. Tot 23 mm. Bruin met soms met een vage tekening van dwars verlopende zigzagstrepen. Opperhuid vezelig, zwartbruin. Binnenzijde lichtblauw of grijswit. Matig stevige, langwerpig-driehoekige schelp. In dwarsdoorsnede gebogen. Onder het septum aan de binnenzijde van de schelp zit een lepelvormig uitsteeksel. Hecht zich met byssusdraden aan hard substraat. O.a. in het Noordzeekanaal.Afmetingen: Tot 23 mm.
Schelpkleur: Bruin, met soms een vage kleurtekening van dwars verlopende zigzagstrepen of vanuit de top stralende lengtebanden. Binnenzijde lichtblauw of grijswit. Opperhuid stevig, zwartbruin.

Schelpvorm: Matig stevige, langwerpig-driehoekige schelp. In dwarsdoorsnede regelmatig gebogen.
Slot: Geen echte slottanden. Onder het septum aan de binnenzijde van de schelp zit een lepelvormig uitsteeksel.

Op basis van 10 x 10 km-hokken is het areaal gehalveerd ten opzichte van vroeger.Van oorsprong uit Amerika afkomstige exoot. De eerste melding in Europa komt uit België (1835), de eerste Nederlandse uit 1895. Na de afsluiting van de Zuiderzee (1932) verdwenen veel populaties. Momenteel vooral algemeen in het Noordzeekanaal.
(Zie verder bij Opmerkingen: Extra gegevens bij exoten).
In zwak brakke en brakke grote binnenwateren. Niet in plasjes en sloten. Bij voorkeur in oligohaliene wateren met een zoutgehalte van 2-9‰. Tijdelijk lagere of hogere waarden worden overleefd (euryhaliene soort). Zelden of nooit in estuaria. De dieren zitten vastgehecht met byssusdraden op hard substraat (stenen, houten beschoeiingen). Plaatselijk algemeen op kanaaloevers, vanaf iets beneden het wateroppervlak tot enkele meters diep. In het Noordzeekanaal vooral op 4-5 m diepte en dieper (tot 10 m). Daar vaak in hoge dichtheden. Het zijn filteraars. Voortplanting in de zomermaanden. De dieren zijn van van gescheiden geslacht. Eieren en zaadcellen worden vrij in het water geloosd. Leeftijd tot ca. 4 jaar 156887NederlandBrakwaterANM|Exoten
Brakwaterpok
Balanus improvisus

Brakwaterpok
Balanus improvisus

Zeepok (marien en brak water). Exoot. Tot 10 mm, (diam. 15 mm). Crémewit, wit. Flappen tussen de bovenste en onderste twee sluitplaten bij levend dier met witte en paarse spikkeltjes. Samengedrukt conisch. Wandplaten opvallend, onregelmatig geribbeld en goed op elkaar aansluitend. Zijflappen nauwelijks zichtbaar en diep gelegen. Sluitplaten met vier onduidelijke spitsen met een grote zijdelingse insnijding. Bodem vliezig, onopvallend. In een smalle litorale zone in brakwatergebieden, algemeen.
Main Image
 
Balanus improvisus Zeepok (marien en brak water). Exoot. Tot 10 mm, (diam. 15 mm). Crémewit, wit. Flappen tussen de bovenste en onderste twee sluitplaten bij levend dier met witte en paarse spikkeltjes. Samengedrukt conisch. Wandplaten opvallend, onregelmatig geribbeld en goed op elkaar aansluitend. Zijflappen nauwelijks zichtbaar en diep gelegen. Sluitplaten met vier onduidelijke spitsen met een grote zijdelingse insnijding. Bodem vliezig, onopvallend. In een smalle litorale zone in brakwatergebieden, algemeen.

Afmetingen: H tot 10 mm, diameter 15 mm.
Kleur: Crémewit, tot grijswit, vaak met begroeiing. De flappen tussen de bovenste en onderste twee sluitplaten zijn gevlekt met witte en paarse spikkeltjes.
Vorm: Breder dan hoog, samengedrukt conisch. De wandplaten zijn groot en opvallend en sluiten nagenoeg op elkaar aan. Ze zijn onregelmatig geribbeld. De inwendige kanaaltjes zijn met kalk opgevuld. Zijflappen nauwelijks zichtbaar en diep liggend. Sluitplaten: vier onduidelijke spitsen met een grote zijdelingse insnijding. Bodem vliezig, onopvallend, lijkt afwezig.

 Algemeen in Nederland, zij het in een smalle zone. De soort was in het bijzonder algemeen in de voormalige Zuiderzee en komt tegenwoordig nog voor in het Noordzeekanaal en in andere brakwatergebieden.Op stenen in het litoraal en sublitoraal in brakwatergebieden. xNederlandBrakwaterMOO|LIMP|SETL
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

Mariene soorten en ecologie

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

Back To Top