Search
Search
 
Zoeken
 
 
Zoeken
Biotoop
Project
 
   
 
Groepen
 
 
Groenwieren (7)
Roodwieren (11)
Bruinwieren (13)
Waterplanten (2)
Sponzen (21)
Bloemdieren (15)
Hydropoliepen (23)
Schijfkwallen (7)
Steelkwallen (1)
Ribkwallen (5)
Ringwormen (1)
Borstelwormen (24)
Hoefijzerwormen (1)
Snoerwormen (5)
Kelkwormen (1)
Platwormen (1)
Naaktslakken (63)
Tweekleppigen (117)
Huisjesslakken (106)
Stoottanden (1)
Inktvissen (21)
Keverslakken (3)
Schildvoetigen (1)
Zeespinnen (3)
Krabben (24)
Kreeften (3)
Garnalen (11)
Heremietkreeften (3)
Aasgarnalen (2)
Vlokreeften (14)
Rankpotigen (6)
Zeepissebedden (3)
Mosdiertjes (15)
Zeesterren (6)
Zee-egels (3)
Zakpijpen (16)
Vissen (127)
Zeezoogdieren (4)
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 660 items in 66 pages
ZoekbeeldKenmerken
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 660 items in 66 pages
Bleke plooislak
Goniodoris nodosa

Bleke plooislak
Goniodoris nodosa

Zeenaaktslak. Tot 28 mm. Transparant tot wit, soms wat geel of roze. Plooivormige mantelranden, vaak in een gele lijn. Aan de basis van de rhinoforen en achter de kieuwen vaak witte vlekken. Slank, met brede voet,  gelamelleerde rhinoforen en afgeplatte mondtentakels. De gereduceerde geplooide mantel loopt vanaf de rhinoforen tot achter de kieuwen. Rug met knobbeltjes, 7-13 geveerde kieuwen. Eisnoeren als cirkelronde witte spiralvormige band, afgezet op hard substraat in voorjaar en herfst.
Main Image
 
Goniodoris nodosa Zeenaaktslak. Tot 28 mm. Transparant tot wit, soms wat geel of roze. Plooivormige mantelranden, vaak in een gele lijn. Aan de basis van de rhinoforen en achter de kieuwen vaak witte vlekken. Slank, met brede voet,  gelamelleerde rhinoforen en afgeplatte mondtentakels. De gereduceerde geplooide mantel loopt vanaf de rhinoforen tot achter de kieuwen. Rug met knobbeltjes, 7-13 geveerde kieuwen. Eisnoeren als cirkelronde witte spiralvormige band, afgezet op hard substraat in voorjaar en herfst.

Afmetingen: Lengte tot 28, in Nederland tot 18 mm.
Kleur: De lichaamskleur is transparant tot wit, met op de rug soms een gele of roze tint. De plooivormige mantelranden aan beide zijden van het lichaam vormen vaak een geel gekleurde, ononderbroken lijn. Aan de basis van de rhinoforen en op de huid achter de kieuwen, komen verspreid vaak witte pigmentvlekken voor.
Vorm: Een slank ogende slak, met een brede, stevige voet. De rhinoforen zijn twaalfvoudig gelamelleerd. Mondtentakels afgeplat opzij gericht. De gereduceerde mantel loopt als een brede plooi van voor de rhinoforen, langs de lichaamszijden tot achter de kieuwen langs. Binnen de mantelrand staan op de rug hele kleine knobbels. Achter op de rug, rond de anus, staan 7-13 enkelvoudig geveerde kieuwen.

Eieren: Eisnoeren op hard substraat, van het voorjaar tot de herfst. Ze vormen een in dwarsdoorsnede cirkelronde witte band, die afgezet wordt in een spiraal met tot ongeveer twee windingen (meestal minder). De snoeren worden gevonden tussen maart en juli. Er zijn echter ook waarnemingen bekend uit het najaar en zelfs uit de winter (december en januari).

 In Nederland is de soort zeldzaam, maar zowel langs de kusten van de Waddeneilanden, als in de Zeeuwse wateren zijn exemplaren aangetroffen. De laatste jaren bleken zowel de slakken als de eieren vrijwel jaarlijks in kleine aantallen aanwezig in de getijdenzone op Neeltje Jans, bij Burghsluis en Zierikzee in de Oosterschelde, op diepten van 5-12 m. In hoeverre deze soort zich definitief op onze kust heeft gevestigd is niet duidelijk, ondanks het inmiddels massaal voorkomen van één van de voedselbronnen: de Grijze korstzakpijp Diplosoma listerianumVanaf het ondiepe sublitoraal tot dieper water. Het is een typische soort van het voorjaar en de zomer. Voedsel: Juvenielen voeden zich met mosdiertjes, waaronder de Bruine zeevinger Alcyonidium diaphanum en Flustrellidra hispida. Volwassen exemplaren schakelen over op een andere voedselbron en voeden zich met zakpijpen, waaronder de Grijze korstzakpijp Diplosoma listerianum, de Gesterde geleikorst Botryllus schlosseri en de Zeebes Dendrodoa grossularia. Eisnoeren worden afgezet op hard substraat, van het voorjaar tot de herfst. 140033NederlandZoutwaterMOO
Bloedrood plooimosdiertje
Watersipora subatra

Bloedrood plooimosdiertje
Watersipora subatra

Mariene soort (exoot). Korstvormende kolonies, grotere kolonies soms rechtopstaand. De kleur is variabel gedurende de levensloop, van oranje tot bruin-paars of grijs-zwart. De individuen (zoïden) zijn rechthoekig tot zeshoekig en ongeveer twee keer zo lang als breed. De zoïden worden gescheiden door zijlings licht omhoogkomende wandjes.

Main Image
 
Watersipora subatra 

Mariene soort (exoot). Korstvormende kolonies, grotere kolonies soms rechtopstaand. De kleur is variabel gedurende de levensloop, van oranje tot bruin-paars of grijs-zwart. De individuen (zoïden) zijn rechthoekig tot zeshoekig en ongeveer twee keer zo lang als breed. De zoïden worden gescheiden door zijlings licht omhoogkomende wandjes.

Afmeting: kolonies kunnen relatief hoog worden (meerdere decimeters wanneer ze rechtopstaande geplooide structuren vormen). Ook korstvormige plakkaten kunnen vrij grote oppervlakken bedekken.
Kleur: De kleur is variabel gedurende de levensloop, meestal opvallend exotisch gekleurd, van oranje tot bruin-paars of grijs-zwart. Vaak prachtig bloedrood, ten minste aan de randen. Soms meer grijzig met lichtere randen op plaatsen waar de jongere zoïden zich vormen.
Vorm: Afhankelijk van de ondergrond worden grillige plakkaten gevormd, meestal op stenen, soms ook op schelpen of ander substraat. Kleine kolonies zijn bijna rond en plat, bij latere groei overdekken de kolonies zichzelf en kunnen ze geplooide, rechtopgaande structuren vormen.
Zoïden: De individuen (zoïden) zijn rechthoekig tot zeshoekig van vorm, vaak met een D-vormige opening en ongeveer twee keer zo lang als breed. Ze worden gescheiden door zijdelings geplaatste, licht omhoogkomende wandjes.
Afmetingen zoïden: 0,4 - 0,9 mm x 0,3 - 0,5 mm.
Overig: Geen stekels

 

Exoot. Oorspronkelijke herkomst feitelijk onbekend. De Golf van Mexico wordt soms als optie genoemd. Watersipora subatra is inmiddels bekend van onder andere Japan, Australië en Nieuw-Zeeland, Californië en uit delen van Europa, waaronder de Engelse Zuidkust. De soort was al aangespoeld gevonden op diverse Nederlandse stranden en op Helgoland. Er is toen geopperd dat deze soort zich mogelijk in Nederland zou kunnen vestigen. Inmiddels zijn in het Grevelingenmeer fraaie levende structuren aangetroffen. Op dit moment nog slechts op één plaats.

Leeft in relatief ondiep water, maar kan tot ten minste 10 meter diep worden aangetroffen. Afhankelijk van de ondergrond worden grillige plakkaten gevormd, meestal op stenen, soms ook op schelpen of ander substraat. Kleine kolonies zijn bijna rond en plat, bij latere groei overdekken de kolonies zichzelf en kunnen ze geplooide, rechtopgaande structuren vormen. De soort komt ook voor op drijvende structuren en kan o.a. op plastic op het strand aanspoelen.

 

816025

NederlandZoutwaterLIMP
Blonde rog
Raja brachyura

Blonde rog
Raja brachyura

Mariene vissoort. Sterk afgeplat, breed-ruitvormig lichaam, met hoekige zijkanten en twee aan de kop vergroeide borstvinnen. De dieren hebben een lange puntig toelopende staart. Gemiddelde 40-80 cm (tot 120 cm). Lichtbruin (zandbruin), met veel dicht opeenstaande, kleine zwarte stipjes. Dit patroon loopt helemaal door tot de randen van de borstvinnen. Daarnaast her en der wat grotere, lichtere tot witte vlekken. Buikzijde geelachtig of wit. Bij jonge dieren is de snuitpunt donker. Mond, neusgaten en vijf paar kieuwspleten bevinden zich aan de buikzijde. Ogen aan de bovenzijde, voor op de kop, kleiner dan de spuitgaten (spiraculi). De snuit loopt uit in een puntje. De staartvin is klein en bijna spatelvormig. Op de staart staan achteraan twee korte rugvinnen. De buikvinnen liggen tegen de staartbasis aan. Tot de buikvinnen horen ook lobvormige uitsteeksels waarmee de dieren over de zeebodem 'lopen' (punteren). De huid aan de bovenzijde is ruw. In het midden bij jonge dieren en volwassen vrouwtjes een rij van 32-45 korte, stekels vanaf de nek tot over de staart (op de staart zitten bij jonge dieren zelfs meerdere rijen). Bij mannetjes is de rij hier en daar onderbroken. Tussen de rugvinnen ook tot 2 stekels. Mannetjes hebben soms aan de borstvinnen en op de kop ook kromme stekeltjes. lang de Nederlandse kust erg zeldzaam.
Main Image
 
Raja brachyura Mariene vissoort. Sterk afgeplat, breed-ruitvormig lichaam, met hoekige zijkanten en twee aan de kop vergroeide borstvinnen. De dieren hebben een lange puntig toelopende staart. Gemiddelde 40-80 cm (tot 120 cm). Lichtbruin (zandbruin), met veel dicht opeenstaande, kleine zwarte stipjes. Dit patroon loopt helemaal door tot de randen van de borstvinnen. Daarnaast her en der wat grotere, lichtere tot witte vlekken. Buikzijde geelachtig of wit. Bij jonge dieren is de snuitpunt donker. Mond, neusgaten en vijf paar kieuwspleten bevinden zich aan de buikzijde. Ogen aan de bovenzijde, voor op de kop, kleiner dan de spuitgaten (spiraculi). De snuit loopt uit in een puntje. De staartvin is klein en bijna spatelvormig. Op de staart staan achteraan twee korte rugvinnen. De buikvinnen liggen tegen de staartbasis aan. Tot de buikvinnen horen ook lobvormige uitsteeksels waarmee de dieren over de zeebodem 'lopen' (punteren). De huid aan de bovenzijde is ruw. In het midden bij jonge dieren en volwassen vrouwtjes een rij van 32-45 korte, stekels vanaf de nek tot over de staart (op de staart zitten bij jonge dieren zelfs meerdere rijen). Bij mannetjes is de rij hier en daar onderbroken. Tussen de rugvinnen ook tot 2 stekels. Mannetjes hebben soms aan de borstvinnen en op de kop ook kromme stekeltjes. lang de Nederlandse kust erg zeldzaam.Afmeting: De gemiddelde afmeting ligt tussen de 40 en 80 cm (maximaal 120 cm).
Kleur: De rug is lichtbruin (zandbruin), met verdeeld over het hele oppervlak een grote hoeveelheid dicht opeenstaande, kleine zwarte stipjes, in een patroon dat helemaal doorloopt tot de randen van de borstvinnen. Daarnaast zijn er ook her en der wat grotere, lichtere tot witte vlekken. De onderkant (buikzijde) is geelachtig of wit. Bij jonge dieren is de snuitpunt donker. De soort is ter camouflage qua kleur en patroon goed aangepast aan de ondergrond. Vorm: Sterk afgeplat, breed-ruitvormig lichaam, met hoekige zijkanten en twee zeer grote, aan de kop vergroeide borstvinnen. De dieren hebben een lange puntig toelopende staart. De snuit loopt uit in een puntje. Mond, neusgaten en vijf paar kieuwspleten bevinden zich aan de onderkant, de buikzijde. De ogen zitten aan de bovenzijde, voor op de kop en zijn kleiner dan de spuitgaten (spiraculi).
Vinnen: De staartvin is klein, afgerond, bijna spatelvormig. Op de staart staan achteraan twee korte rugvinnen. De buikvinnen liggen tegen de staartbasis aan. Tot de buikvinnen horen ook de lobvormige uitsteeksels waarmee de dieren over de zeebodem 'lopen' (punteren).
Huid/stekels: De huid aan de bovenzijde is ruw. In het midden loopt bij jonge dieren en volwassen vrouwtjes een rij van 32-45 relatief korte, doornachtige stekels vanaf de nek tot over de staart (op de staart zitten bij jonge dieren zelfs meerdere rijen). Bij mannetjes is deze rij hier en daar onderbroken. Tussen de rugvinnen op de staart kunnen maximaal 2 stekels voorkomen, maar deze kunnen ook ontbreken. Mannetjes hebben aan de borstvinnen en op de kop soms ook kromme stekeltjes.
Tanden: Bij beide geslachten zitten in de mond 60-90 rijen tanden met scherpe spitsen, om de schelpen en schalen van bodemdieren te kraken.

Noordoostelijke Atlantische Oceaan, van de Shetland-eilanden en de Noordzee tot Madeira en het westen van de Middellandse Zee. Langs de Nederlandse kust erg zeldzaam.Blonde roggen leven op diepten tussen 10-150 m (tot 300 m) en zijn gewoonlijk te vinden op zand- en slikgronden. Jonge dieren leven in ondieper water, grotere in diepere delen, maar komen in de zomermaanden dichter naar de kust.Kleinere dieren voeden zich vooral met weekdieren, kreeftachtigen als garnalen en krabben, wormen, stekelhuidigen en kleinere bodemvissen, grotere voornamelijk met inktvissen. De prooi wordt opgespoord door het reukvermogen (kan bovendien kleine electrische velden opsporen en zo prooi localiseren). De Blonde rog wordt laat geslachtsrijp en heeft een trage voortplanting. De soort is ovipaar, de eieren worden inwendig bevrucht, waarna er op de zeebodem rechthoekige eierkapsels worden afgezet, waarin steeds één embryo tot ontwikkeling komt. Volwassen vrouwtjes leggen van februari t/m augustus circa 30 of meer eikapsels per jaar. De jongen komen uit na circa 6 tot 7 maanden. De dieren kunnen tot 15 jaar oud worden. Deze soort is zeer gevoelig voor overbevissing door visserij met bodemsleepnetten, niet alleen vanwege de trage voortplanting, maar ook omdat de populaties zich in min of meer vaste gebieden ophouden. (Zie voor de vorm van de eikapsels de aparte beschrijving.) 367297NederlandZoutwaterMOO
Bochtige klokpoliep
Laomedea flexuosa

Bochtige klokpoliep
Laomedea flexuosa

Mariene Hydropoliep.
Main Image
 
Laomedea flexuosa Mariene Hydropoliep.     117382NederlandZoutwaterMOO
Bolle papierschelp
Thracia convexa

Bolle papierschelp
Thracia convexa

Mariene tweekleppige. Tot 65 mm. Wit tot crème. Opperhuid geelgroen. Dunschalige, tamelijk opgeblazen, ongelijkkleppige schelpen. Rechterklep  boller en iets groter dan de linker. Achterzijde afgeknot. Sculptuur van talloze concentrische groeilijnen en daarnaast bedekt met een uiterst fijne korrelige oppervlaktesculptuur, met name op de achterzijde. In het slot ontbreken echte slottanden. In de Noordzee alleen in wat dieper water, spoelt zelden of nooit aan.
Main Image
 
Thracia convexa Mariene tweekleppige. Tot 65 mm. Wit tot crème. Opperhuid geelgroen. Dunschalige, tamelijk opgeblazen, ongelijkkleppige schelpen. Rechterklep  boller en iets groter dan de linker. Achterzijde afgeknot. Sculptuur van talloze concentrische groeilijnen en daarnaast bedekt met een uiterst fijne korrelige oppervlaktesculptuur, met name op de achterzijde. In het slot ontbreken echte slottanden. In de Noordzee alleen in wat dieper water, spoelt zelden of nooit aan.

Afmetingen: L. tot 65 mm, H. tot 40 mm.
Schelpkleur:
Wit tot crème. Opperhuid geelgroen.
Schelpvorm:
Dunschalige, tamelijk opgeblazen schelpen. De schelpen zijn ongelijkkleppig: de rechterklep is boller en ook wat groter dan de linkerklep en omvat deze. De afgeknotte achterzijde is minder hoog en minder bol dan de afgeronde zijde, de schelpen gapen aan die kant. De top ligt even achter het midden en is naar binnen gekromd. De onderrand golft licht.
Sculptuur: Talloze concentrische groeilijnen die richting onderrand van de schelp de neiging hebben enigszins te gaan golven. Daarnaast bedekt met een uiterst fijne korrelige oppervlaktesculptuur, die met name op de achterzijde toch vrij duidelijk zichtbaar is.
Slot: Slotband zowel uitwendig als inwendig, in een kleine driehoekige ligamentdrager. In het slot ontbreken echte slottanden. De ligamentdrager wordt door een hoekige inkeping begrensd.
Bnnenzijde schelp:
Het voorste spierindruksel is duidelijker dan het achterste. De mantelbocht is ondiep en reikt niet voorbij de ligamentdrager.

 

Langs de gehele Europese westkust en in de Middellandse Zee. Nergens talrijk.  

Op het strand: Niet met zekerheid bekend van het strand, uitgezonderd fossiel in Zeeland.

Bewoner van zand- en slibbodems, op diepten tussen ca.10 tot 200 m. De dieren leven ingegraven, waarbij ze op hun zij in de zeebodem liggen, met de rechterklep boven. De gescheiden sifonen zijn lang en beweeglijk en aan de uiteinden omgeven door een relatief dikke slijmlaag. Hiermee maakt het dier schoorsteenachtige gangen in de bodem, waarin de sifonen worden teruggetrokken. 141644NederlandZoutwaterSMP|ANM
Bolle stroommossel
Unio (Unio) tumidus depressus

Bolle stroommossel
Unio (Unio) tumidus depressus

Zoetwater-tweekleppige. Tot 120 mm. Groengeel tot geelbruin, binnenkant parelmoer. Relatief dunne, maar toch vrij stevige schelpen. Onderrand gebogen. In de rechterklep 1 cardinale tand en 1 laterale (lijstvormige) tand. Linkerklep met 2 cardinale en 2 laterale tanden.  Top bol en opgeblazen met knobbelige, golvende rugae. Sculptuur van grove en fijnere onregelmatige groeilijnen. Bij voorkeur in stromende wateren.
Main Image
 
Unio (Unio) tumidus depressus Zoetwater-tweekleppige. Tot 120 mm. Groengeel tot geelbruin, binnenkant parelmoer. Relatief dunne, maar toch vrij stevige schelpen. Onderrand gebogen. In de rechterklep 1 cardinale tand en 1 laterale (lijstvormige) tand. Linkerklep met 2 cardinale en 2 laterale tanden.  Top bol en opgeblazen met knobbelige, golvende rugae. Sculptuur van grove en fijnere onregelmatige groeilijnen. Bij voorkeur in stromende wateren.     182708NederlandZoetwaterMOO|ANM
Bolronde vlokreeft
Iphimedia minuta

Bolronde vlokreeft
Iphimedia minuta

Mariene vlokreeft. Het is een tamelijk bolvormige vlokreeft, met tanden op de achterrand van de staartsegmenten.
Main Image
 
Iphimedia minuta Mariene vlokreeft. Het is een tamelijk bolvormige vlokreeft, met tanden op de achterrand van de staartsegmenten.     102345NederlandZoutwaterMOO|Exoten
Bonte mantel
Mimachlamys varia

Bonte mantel
Mimachlamys varia

Mariene tweekleppige. Tot 70 mm. Variabel van kleur: crème, geel, oranje, bruinrood, lila, paars. Ook vaak gevlekt. Achterste oortjes naast top veel kleiner dan voorste. Oppervlak met 30-35 vanuit de top stralende ribben, bezet met afstaande ‘schubben’. Dier met franjevormige tentakels langs de mantelranden en ca. 30 kraalvormige blauwzwarte ‘oogjes'. Leeft vastgehecht met byssusdraden op hard substraat. In de Noordzee zeldzaam, evenals in Zeeland.
Main Image
 
Mimachlamys varia Mariene tweekleppige. Tot 70 mm. Variabel van kleur: crème, geel, oranje, bruinrood, lila, paars. Ook vaak gevlekt. Achterste oortjes naast top veel kleiner dan voorste. Oppervlak met 30-35 vanuit de top stralende ribben, bezet met afstaande ‘schubben’. Dier met franjevormige tentakels langs de mantelranden en ca. 30 kraalvormige blauwzwarte ‘oogjes'. Leeft vastgehecht met byssusdraden op hard substraat. In de Noordzee zeldzaam, evenals in Zeeland.Afmetingen: L. 60 mm, H. 70 mm.
Schelpkleur: Variabel: crème, geel, oranje, bruinrood, lila, paars. Ook vaak gevlekt. Linker en rechterklep ongeveer gelijk gekleurd.

Schelpvorm: Vrij dunschalig. Achterste oortjes veel kleiner dan de voorste.
Sculptuur: Beide kleppen met 30-35 vanuit de top stralende ribben, bezet met afstaande ‘schubben’ waardoor de schelp aanvoelt als een rasp.
Dier:
Binnenste mantelranden met zeer fijne franjevormige tentakels, de buitenste met grovere tentakels en tot ca. 30 kraalvormige blauwzwarte ‘oogjes’, waarmee licht en donker kunnen worden waargenomen.

 Vanaf Noorwegen tot in de Middellandse Zee en langs de westkust van Afrika tot Senegal. In Nederlandse wateren schaars en incidenteel. Aangetroffen op de Klaverbank en tijdens een invasie van juvenielen in 1994-1995 ook elders. Er zijn meerdere oude meldingen uit Zeeland, meestal gerelateerd aan schelpdierkweek en import. Recent aangetroffen in de Oosterschelde en het Grevelingenmeer (Den Osse).

verspreidingatlas: Bonte mantel.
waarneming.nl. Bonte mantel.
Vastgehecht met byssusdraden op stenen, grote losse schelpen of ander hard substraat, vanaf het sublitoraal tot grotere diepten, ongeveer tussen 5 en 100 m (tot ruim 250 m). Vaak in kolonies bij elkaar, maar ook solitair. De dieren zijn hermafrodiet en eerst mannetjes, later veranderend in vrouwtjes. Leeftijd: ten minste 4 jaar. 236719NederlandZoutwaterMOO|SMP|ANM
Boompjesslak
Dendronotus frondosus

Boompjesslak
Dendronotus frondosus

Zeenaaktslak. Tot 40-50 mm (max. 100 mm). Geelwit met rode of bruine marmering, soms kleurloos. Lichaam slank, van opzij hoger dan breed. Op de kop en rug  vertakte uitsteeksels. Ook de dwars gelamelleerde rhinoforen zijn in een boompje opgenomen. Eieren als slordig gekronkeld snoer, afgezet in hydropoliepen. Op Tubularia fouragerende dieren zijn rood gemarmerd en groter dan dieren die op Sertularia fourageren.
Main Image
 
Dendronotus frondosus Zeenaaktslak. Tot 40-50 mm (max. 100 mm). Geelwit met rode of bruine marmering, soms kleurloos. Lichaam slank, van opzij hoger dan breed. Op de kop en rug  vertakte uitsteeksels. Ook de dwars gelamelleerde rhinoforen zijn in een boompje opgenomen. Eieren als slordig gekronkeld snoer, afgezet in hydropoliepen. Op Tubularia fouragerende dieren zijn rood gemarmerd en groter dan dieren die op Sertularia fourageren.

Afmetingen; Lengte maximaal ± 100 mm, vaak niet langer dan 40 - 50 mm.
Kleur: Geelachtig wit met rode of bruine marmering, soms bijna kleurloos.
Vorm: Het lichaam is van boven gezien slank, vanaf de zijkant bekeken worden, is het hoger dan breed. De naam komt van de vertakte uitsteeksels aan weerszijden van de rug. Op de kop staan ook kleine boompjes en zelfs de rhinoforen zijn in een boompje opgenomen. De eigenlijke rhinoforen zijn dwars gelamelleerd.

Eieren: De eieren vormen een wat slordig gekronkeld snoer en worden afgezet in hydropoliepen. Boompjesslakken die op Tubularia fourageren zijn rood gemarmerd en worden doorgaans groter dan dieren die van Sertularia leven. Deze laatste dieren zijn bruinig en worden niet veel groter dan ongeveer 30 mm. Dieren zijn geslachtsrijp vanaf 18 mm.

 Vrij algemeen in de westelijke Waddenzee, de westelijke en centrale Oosterschelde en de mond van de Westerschelde. Zeldzaam in de oostelijke Waddenzee. Ook op boeien en wrakken in de Noordzee.De Boompjesslak leeft in Nederland voornamenlijk van hydropoliepen als Penneschaft Tubularia indivisa en Zeecypres Sertularia cupressina. Te verwachten op elk hard substraat waar deze voedselsoorten groeien.Dieren kunnen gedurende het gehele jaar worden gevonden, maar het meest in de periode maart-oktober. De eieren worden meestal in de periode april-juni, soms ook in de nazomer (september) waargenomen.139523NederlandZoutwaterMOO
Boorspons
Cliona celata

Boorspons
Cliona celata

Mariene spons. Meestal geel, soms geeloranje of geelgroen. Leeft ingeboord in gangetjes in kalk van schelpen en zachte steen. Van de levende spons zijn dan alleen de geeloranje in- en uitstroomopeningen zichtbaar. Zelden in tot 1 mm dikke plakkaten buiten het kalksubstraat. Deze plakkaten kunnen aanzienlijke afmetingen bereiken, maar zijn in ons land zeldzaam.

Main Image
 
Cliona celata 

Mariene spons. Meestal geel, soms geeloranje of geelgroen. Leeft ingeboord in gangetjes in kalk van schelpen en zachte steen. Van de levende spons zijn dan alleen de geeloranje in- en uitstroomopeningen zichtbaar. Zelden in tot 1 mm dikke plakkaten buiten het kalksubstraat. Deze plakkaten kunnen aanzienlijke afmetingen bereiken, maar zijn in ons land zeldzaam.

Afmetingen: Kolonies worden in de Oosterschelde en het Grevelingenmeer niet groter dan de oestersschelpen waarin ze leven. De geeloranje speldenkussentjes hebben een doorsnede tot 3 mm. Een heel enkele keer vormt de spons tot 1 mm dikke, grote en brede plakkaten buiten het substraat. Deze kunnen aanzienlijke afmetingen bereiken, maar zijn in de Nederlandse kustwateren schaars.
Kleur: De spons heeft in Nederland vrijwel altijd een geel uiterlijk, soms wat neigend naar geeloranje of geelgroen.
Vorm: Van de levende Boorspons is gewoonlijk niet meer te zien dan de kleine geeloranje in- en uitstroomopeningen. Deze staan altijd binnen enkele centimeters van elkaar. Een kolonie kan uit enkele tientallen in- en uitstroomopeningen bestaan. De instroomopening lijkt het meest op een klein, rond speldenkussentje. De uitstroomopening wordt gevormd door een hol buisje.
Spicula: Staafjes met bobbel aan een uiteinde, aan de andere puntig. Dik, sigaarvormig. 100-200um lang. Zie foto's.
.

 

Noord-Oostelijke Atlantische kusten, Noordzee, Middellandse zee. De Boorspons kan ook voorkomen in korstvormige heuvels. Bij deze vorm zijn niet alleen de 'trompetjes' te zien, maar is de spons veel verder uitgegroeid. Deze vorm komt algemeen voor rond de westkusten van Engeland en Frankrijk, maar is niet in de Nederlandse zoute wateren en onze Noordzee gevonden. In Nederland langs de hele kust  inclusief Waddenzee en met name in Zeeland.

De Boorspons boort zich in kalkhoudendsubstraat, door het afscheiden van zuur. In Nederland wordt de soort voornamelijk ingeboord waargenomen in oude tweekleppige schelpen, meestal oesterschelpen en oude fossiele schelpen (Wetserschelde), maar ook in kalksteen.

 

134121

NederlandZoutwaterMOO
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

Mariene soorten en ecologie

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

Back To Top