Search
Search
 
Zoeken
 
 
Zoeken
Biotoop
Project
 
   
 
Groepen
 
 
Groenwieren (7)
Roodwieren (11)
Bruinwieren (13)
Waterplanten (2)
Sponzen (21)
Bloemdieren (15)
Hydropoliepen (23)
Schijfkwallen (7)
Steelkwallen (1)
Ribkwallen (5)
Ringwormen (1)
Borstelwormen (24)
Hoefijzerwormen (1)
Snoerwormen (5)
Kelkwormen (1)
Platwormen (1)
Naaktslakken (63)
Tweekleppigen (117)
Huisjesslakken (106)
Stoottanden (1)
Inktvissen (21)
Keverslakken (3)
Schildvoetigen (1)
Zeespinnen (3)
Krabben (24)
Kreeften (3)
Garnalen (11)
Heremietkreeften (3)
Aasgarnalen (2)
Vlokreeften (14)
Rankpotigen (6)
Zeepissebedden (3)
Mosdiertjes (15)
Zeesterren (6)
Zee-egels (3)
Zakpijpen (16)
Vissen (127)
Zeezoogdieren (4)
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 660 items in 66 pages
ZoekbeeldKenmerken
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 660 items in 66 pages
Berevachtpoliep
Garveia franciscana

Berevachtpoliep
Garveia franciscana

Hydropoliep. De poliep vormt sterk vertakte kolonies tot 20 cm hoog met assen tot 0.3 mm in doorsnede. Deze kolonies ontspringen uit een dun web van stolonen. De perisarc (buitenste omhulsel van chitine) is geelbruin en kan rimpelig of onduidelijk geringd zijn. De poliepen staan aan het eind van de assen en zijn knotsvormig. Elke poliep heeft 10-12 tentakels die in een krans rond de kegelvormige mondopening staan geplaatst. De mannelijke en vrouwelijke gonoforen (voortplantingsstructuren) staan op aparte kolonies. Mannelijke gonoforen zijn eivormig (0.4 mm lang) en hebben een kort steeltje. Vrouwelijke gonoforen zijn bolrond (0.15 mm in diameter). Mannelijke kolonies zijn meestal ook regelmatiger vertakt dan vrouwelijke kolonies.
Main Image
 
Garveia franciscana Hydropoliep. De poliep vormt sterk vertakte kolonies tot 20 cm hoog met assen tot 0.3 mm in doorsnede. Deze kolonies ontspringen uit een dun web van stolonen. De perisarc (buitenste omhulsel van chitine) is geelbruin en kan rimpelig of onduidelijk geringd zijn. De poliepen staan aan het eind van de assen en zijn knotsvormig. Elke poliep heeft 10-12 tentakels die in een krans rond de kegelvormige mondopening staan geplaatst. De mannelijke en vrouwelijke gonoforen (voortplantingsstructuren) staan op aparte kolonies. Mannelijke gonoforen zijn eivormig (0.4 mm lang) en hebben een kort steeltje. Vrouwelijke gonoforen zijn bolrond (0.15 mm in diameter). Mannelijke kolonies zijn meestal ook regelmatiger vertakt dan vrouwelijke kolonies.  Atlantische Oceaan, Middellandse zee, Grote Oceaan, India, westkust Afrika, Australië.
In Nederland werd G. franciscana vooral veel gevonden in de voormalige Zuiderzee, en nu minder talrijk in o.a. de Westerschelde en het Noordzeekanaal.

verspreiding Nederland: Berevachtpoliep
deze soort groeit op vast substraat en kan ook voorkomen in gebieden met laag zoutgehalte.  117340NederlandBrakwaterMOO
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus

Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus

Krab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.  Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.
Main Image
 
Hemigrapsus sanguineus Krab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.  Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.Afmetingen: Rugschild tot 45 mm.
Kleur: Lichter groengrijs met veel donkere roodbruine tot zeer donkerrode vlekken. Of donker met lichtere, groenbeige vlekjes. Er is een duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op het rugschild aanwezig en er lopen opvallende lichte en donkere banden over de looppoten.
Rugschild: Een vierkant schild met een rechte voorrand en drie tanden aan de zijkant.
Poten: Mannetjes met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweeglijke bovendeel van de scharen. Niet aanwezig bij de vrouwtjes. De scharen van het mannetje zijn een stuk groter dan die van het vrouwtje.
Overig: Mannetjes worden groter dan vrouwtjes [N.B.: hier stond enige tijd per abuis vermeld dat juist de vrouwtjes groter worden; de praktijk wijst echter anders uit (met dank aan Mick Otten). Dit staat ook verkeerd aangegeven in de 'Basisgids strandvondsten' 2019].
 Exoot, afkomstig uit Azië of mogelijk Amerika waar de soort ook geïntroduceerd is. In 1999 voor het eerst ontdekt in Nederland. Sindsdien sterk toegenomen. Komt ook al voor in het Waddengebied.Getijdegebieden, vooral hoog in de getijdezone. 158417NederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|Exoten
Blaaswier
Fucus vesiculosus

Blaaswier
Fucus vesiculosus

Zeewier. Bruinwier. Tot 50 cm lang en ca 2 cm breed. Olijfgroen tot bruin. Thallus met vrij regelmatige, dichotome vertakkingen. Vooral kenmerkend zijn de luchtblazen, die paarsgewijs aan weerszijden van de duidelijke middenrib voorkomen en in de vork van vertakkingen. Voortplantingsorganen sterk gezwollen. Groeit langs de hele kust op hard substraat in de getijdenzone, vooral onder de zone van Kleine zee-eik. Vooral aspectbepalend in geëxponeerde gebieden.
Main Image
 
Fucus vesiculosus Zeewier. Bruinwier. Tot 50 cm lang en ca 2 cm breed. Olijfgroen tot bruin. Thallus met vrij regelmatige, dichotome vertakkingen. Vooral kenmerkend zijn de luchtblazen, die paarsgewijs aan weerszijden van de duidelijke middenrib voorkomen en in de vork van vertakkingen. Voortplantingsorganen sterk gezwollen. Groeit langs de hele kust op hard substraat in de getijdenzone, vooral onder de zone van Kleine zee-eik. Vooral aspectbepalend in geëxponeerde gebieden.

Afmetingen: Het thallus wordt tot 50 cm lang en tot ongeveer 2 cm breed.
Kleur: Olijfgroen tot bruin.
Vorm: Het thallus heeft vrij regelmatige, dichotome vertakkingen. Deze zijn vaak van uniforme breedte. Soms komt proliferatie voor (uitgroeisel, vaak uit oudere thallusdelen, buiten het normale vertakkingschema om), met name aan de basis. Heel kenmerkend zijn de ronde luchtblazen, vaak paarsgewijs aan weerszijden van de duidelijke middenrib en in de vork van de vertakkingen. Discusvormige hechtschijf. Door omgevingsfactoren kan de vorm van de thallus sterk variëren ten opzichte van de typische variant. Soms vormen de luchtblazen zich anders, bijvoorbeeld vanwege blootstelling aan sterke golven. De voortplantingorganen groeien aan het eind van een vertakking, zijn zelf onvertakt of eenmaal gevorkt en sterk gezwollen.
Textuur: Stevig.

 

Blaaswier is een algemene soort in Zeeland, langs de Noord- en Zuid-Hollandse kust en in het Waddengebied.

Op het strand: Ook aangespoeld wordt Blaaswier veel gevonden. Soms komen de aangespoelde exemplaren zelfs uit Frankrijk of Zuid-Engeland.

Deze soort groeit op hard substraat, alleen in de getijdenzone, vooral onder de zone van Kleine zee-eik. Blaaswier komt voor van blootgestelde kusten tot beschutte dijken, maar is vooral aspectbepalend in geëxponeerde gebieden. Op rustige plekken wordt de plek meestal ingenomen door Knotswier. Fucus vesiculosus is tweehuizig: mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen komen op verschillende individuen voor. Deze soort kan zich het hele jaar door voortplanten. Deze soort is meerjarig en kan zich het hele jaar door voortplanten. 145548NederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP
Blankvoorn
Rutilus rutilus

Blankvoorn
Rutilus rutilus

Zoetwatervis, Tot 45 cm. Lichaam zijdelings sterk samengedrukt, rug variërend van hoog tot slank. Eindstandige bek met relatief kleine mondspleet. De iris van het oog heeft aan de bovenkant een oranjerode vlek (soms ontbreekt deze). Grote schubben. De voorzijde van de rugvin begint gelijk met de voorzijde van de buikvinnen. Rug bruin- tot blauwgroen gekleurd. Flanken zilver van kleur. Buik licht (zilverwit). In de paaitijd loopt de buik van beide geslachten soms roodachtig aan en krijgen mannetjes paaiuitslag (witte knobbeltjes) op de kop en op het lichaam.

Main Image
 
Rutilus rutilus 

Zoetwatervis, Tot 45 cm. Lichaam zijdelings sterk samengedrukt, rug variërend van hoog tot slank. Eindstandige bek met relatief kleine mondspleet. De iris van het oog heeft aan de bovenkant een oranjerode vlek (soms ontbreekt deze). Grote schubben. De voorzijde van de rugvin begint gelijk met de voorzijde van de buikvinnen. Rug bruin- tot blauwgroen gekleurd. Flanken zilver van kleur. Buik licht (zilverwit). In de paaitijd loopt de buik van beide geslachten soms roodachtig aan en krijgen mannetjes paaiuitslag (witte knobbeltjes) op de kop en op het lichaam.

  

Heel Nederland. Algemeen.

Stilstaand en stromend water, in vrijwel alle watertypen: grote meren, plassen, kanalen, vaarten, sloten, rivieren en beken.

 154333NederlandZoetwaterMOO
Blauwe haarkwal
Cyanea lamarckii

Blauwe haarkwal
Cyanea lamarckii

Schijfkwal. Mariene soort. Tot 30 cm in doorsnede. Kenmerkend zijn de wratjes/bultjes op de hoed en het ontbrekenvan gaatjes in de spieren bij dieren >8cm doorsnede. Van kleurloos tot zilverachtig lilablauw, soms meer geel. De soort heeft een platte, schotelvormige scherm (hoed) met 20 of meer (tot 32) lobben, waaraan circa 60-65 dunne, haarachtige tentakels zitten. Kan pijnlijk steken (netelen).

Main Image
 
Cyanea lamarckii 

Schijfkwal. Mariene soort. Tot 30 cm in doorsnede. Kenmerkend zijn de wratjes/bultjes op de hoed en het ontbrekenvan gaatjes in de spieren bij dieren >8cm doorsnede. Van kleurloos tot zilverachtig lilablauw, soms meer geel. De soort heeft een platte, schotelvormige scherm (hoed) met 20 of meer (tot 32) lobben, waaraan circa 60-65 dunne, haarachtige tentakels zitten. Kan pijnlijk steken (netelen).

Afmetingen: Tot 30 cm in doorsnede.
Kleur: Blauw, soms met zilverwit. Gele exemplaren komen echter ook voor.
Vorm: Platte, gelei-achtige kwal met een schotelvormig scherm. Vanuit het midden lopen radiaire lijnen naar de rand van het scherm. De schijf heeft 32 lobben waaraan circa 60-65 dunne, haarachtige tentakels zitten. Deze tentakels bevatten netelcellen en kunnen zeer lang worden. Onder de schotel bevinden zich vier geplooide mondarmen, die korter zijn dan de tentakels. De rand van de schotel heeft 32 lobben.
Overig: De draadvormige tentakels van haarkwallen kunnen ook voor de mens pijnlijk steken. Desondanks hebben deze en andere kwallen bij nadere beschouwing prachtige vormen. Ze kunnen zich uiterst gracieus door het water bewegen. De in Nederland aanspoelende kwallensoorten zijn, zoals terecht aangehaald door Ates (2004), zeker niet “dom, blind en dodelijk”.

 

Vanaf het Noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (IJsland, Noorwegen, Oostzee) via het Kattegat, de Noordzee, Britse Eilanden en Ierse Zee tot in de Golf van Biskaje. In Nederland regelmatig in de kustwateren van de Waddenzee en Oosterschelde en langs de Noordzeekust. Van de beide uit ons land bekende soorten haarkwallen komt de Blauwe haarkwal het meest langs de Nederlandse kust voor. Het poliepstadium van deze soort is in het wild nog niet waargenomen.

De schijfkwal, het kwalstadium van deze soort, beweegt zich vrij in de waterkolom. De kwalpoliepjes groeien op hard substraat. Haarkwallen hebben gescheiden geslachten. Na bevruchting verlaten de planula-larven de kwal en zoeken een plek om zich te vestigen. Het grootste deel van hun leven brengen kwallen door als poliepje op harde substraten op de zeebodem, welke zich ongeslachtelijk kunnen voortplanten. Het kwalstadium, waarin de soort zich geslachtelijk voortplant, duurt ongeveer een half jaar.
De poliepen eten dierlijk plankton, zoals roeipootkreeftjes, vislarven en andere kwallen. Volwassen dieren in het kwalstadium vangen ook grotere prooien, waaronder visjes, die met de netelcellen verdoofd worden en daarna door de tentakels naar de mondopening gebracht worden.

De blauwe haarkwal is een van de vroegst aan de kust optredende kwallensoorten; de piek in aantallen is meestal tussen april en juni.

135302
NederlandZoutwaterMOO|SMP
Blauwe zwemkrab
Callinectes sapidus

Blauwe zwemkrab
Callinectes sapidus

Krab. Mariene soort. Ook in brak water. Exoot uit Amerika. Schildbreedte tot 25 cm. Bovenkant rugschild olijfkleurig tot bruin, soms bijna zwart. Poten en (bij mannetjes) de scharen opvallend blauw. Vrouwtjes hebben rode scharen. Rugschild breed, aan beide kanten een  grote zijwaarts wijzende stekel. Achterste poten peddel-achtig afgeplat. Mannetjes worden groter dan vrouwtjes. Nu en dan individuen in (meestal) brak water.
Main Image
 
Callinectes sapidus Krab. Mariene soort. Ook in brak water. Exoot uit Amerika. Schildbreedte tot 25 cm. Bovenkant rugschild olijfkleurig tot bruin, soms bijna zwart. Poten en (bij mannetjes) de scharen opvallend blauw. Vrouwtjes hebben rode scharen. Rugschild breed, aan beide kanten een  grote zijwaarts wijzende stekel. Achterste poten peddel-achtig afgeplat. Mannetjes worden groter dan vrouwtjes. Nu en dan individuen in (meestal) brak water.

Afmetingen: Schildbreedte tot 25 cm.
Kleur: De soort dankt de naam aan de blauwe kleur van de poten en (bij mannetjes) de scharen. De bovenkant van het rugschild is olijfkleurig tot bruin, soms bijna zwart.
Vorm: Makkelijk te herkennen aan de kleur en het brede rugschild met aan beide kanten een zeer grote zijwaarts wijzende stekel. Het achterste paar poten is, zoals bij alle zwemkrabben, peddel-achtig afgeplat. Mannetjes hebben twee, vrouwtjes vijf buikplaten.
Poten: Volwassen vrouwtjes hebben rode scharen, mannetjes blauwe.  mannetjes worden groter dan vrouwtjes.

 

Meerdere malen gevonden in Nederland, o.a. in de Amsterdamse havens langs het Noordzeekanaal.Oorspronkelijk uit Amerika afkomstige exoot. Al in de jaren dertig in Nederland aangetroffen. De dieren leven langs de kust bij riviermondingen en kan in zowel zoet, brak als zout water overleven. Ze hebben een hoge temperatuurstolerantie, van enkele graden boven nul tot ruim 30º C. Het voedsel bestaat uit aas, andere organismen, waaronder zeesterren en soms ook kleinere krabben of andere kreeftachtigen. De dieren kunnen zich in grote hoeveelheden voortplanten. Bijna volwassen vrouwtjes produceren een feromoon dat mannetjes lokt. Er worden minstens twee keer eieren afgezet, per keer gemiddeld meer dan een miljoen. Het eerste larvestadium is vrijzwemmend, later volgen nog 7-8 andere stadia, tot de krab volwassen is. De larven kunnen alleen vervellen in water rond de 20º C. 107379NederlandZoutwaterMOO|SMP
Blauwgestreepte schaalhoren
Patella pellucida

Blauwgestreepte schaalhoren
Patella pellucida

Mariene huisjesslak. Tot 7 mm. Lichtbruin, met 2-8, (zelden 10) stralende lichtblauwe tot groene, onderbroken kleurlijnen. Mutsvormige schelp met stompe top. Geen operculum. Lijkt glad, maar bij vergroting is vaak een radiaire sculptuur te zien. Soms met sterkere ribben. Naast de ovale dunschalige vorm is er een dikschaliger, meer ronder vorm (forma laevis Pennant). Leeft op grote bruinwieren. In Nederland uiterst zeldzaam. Wel regelmatig op aangespoeld wier.
Main Image
 
Patella pellucida Mariene huisjesslak. Tot 7 mm. Lichtbruin, met 2-8, (zelden 10) stralende lichtblauwe tot groene, onderbroken kleurlijnen. Mutsvormige schelp met stompe top. Geen operculum. Lijkt glad, maar bij vergroting is vaak een radiaire sculptuur te zien. Soms met sterkere ribben. Naast de ovale dunschalige vorm is er een dikschaliger, meer ronder vorm (forma laevis Pennant). Leeft op grote bruinwieren. In Nederland uiterst zeldzaam. Wel regelmatig op aangespoeld wier.Afmetingen: H. tot 7 mm, B. tot 20 mm.
Schelpkleur: Lichtbruin tot hoornkleurig, bij jonge dieren deels doorschijnend. Vanuit de top lopen 2-8, (zelden 10) stralende lichtblauwe tot groene, onderbroken kleurlijnen.

Schelpvorm: Dunschalige tot meer stevige, mutsvormige schelp. De top is stomp en ligt vrij dicht bij de achterrand. De schelp lijkt glad met alleen duidelijke groeilijnen en -banden, maar bij vergroting is vaak een fijne radiaire sculptuur te zien. Naast de  ovale dunschalige vorm is er een dikschaliger, meer ronder vorm, die ook groter wordt (forma laevis Pennant).

Dier: mantelranden deels met franjevormige tentakels. Kop met brede snuit, koptentakels weinig buitende schelp uitstekend en slank, iets afgeplat, met kleine ogen aan de basis. Lichaamskleur grijswit tot crème, kop en voetrand soms donkerder geel totbruin. Geen operculum.

 IJsland, Noorwegen, Atlantische kust van Groot-Brittannië en Frankrijk tot Portugal. Zeldzaam in het westelijk deel van de Middellandse Zee en langs de Afrikaanse westkust. De soort leeft vooral in wat koudere wateren. In de Noordzee onder meer op Helgoland en langs de Noordzeekust van Groot-Brittannië. Uit Nederlandse voornamelijk bekend van vaak nog levende dieren, die op het strand aanspoelden op wieren als Knotswier en Laminaria. Autochtoon bekend van uit de Waddenzee gevist Veterwier Chorda filum.Langs rotskusten, vastgehecht op bruinwieren. De soort prefereert zilte plaatsen met een sterke waterbeweging in het sublitoraal. Van iets beneden de laagwaterlijn tot een diepte van ca. 30 m. Vooral aanwezig op Laminaria-achtig zeewier, zoals Suikerwier Saccharina latissima en Vingerwier Laminaria digitata. Ook gevonden op wieren uit het geslacht Fucus en op Riemwier Himanthalia elongata. Het voedsel bestaat uit de bruinwieren en detritus.

Afwijkend van dan veel andere schaalhorens zijn de dieren gedurende hun hele leven van gescheiden geslacht. Voortplanting in het voorjaar. Eieren vormen een groengele, geleiachtige massa, met een dun membraam, afgezet in het plankton.

Het verschil tussen de typische dunschalige kom- of badkuipvorm en de dikkere, meer mutsvormige f. laevis wordt veroorzaakt door de plaats op het wier waar de dieren zich na het larvale stadium vasthechten. Dieren in holten in de nerf van het wier ontwikkelen zich tot de forma laevis, dieren die op de bladen van het wier zitten tot de typische dunschalige vorm.

 147459NederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP
Blauwpoot zwemkrab
Liocarcinus depurator

Blauwpoot zwemkrab
Liocarcinus depurator

Krab. Marien. De Blauwpootzwemkrab is een opvallende krab met een steenrood- of bruinrood rugschild. De naam heeft dit dier te danken aan de opvallend blauw gekleurde 'zwemvliesjes' van de twee achterste poten. Het meest onderscheidende kenmerk is dat het rugschild ruw is en bezet met duidelijke richels. Bij volwassen dieren kan het rugschild een breedte bereiken van iets meer dan vijf centimeter. Tussen de ogen staan drie duidelijk tanden. Wijfjes met eieren zijn gemakkelijk te herkennen. De eieren van deze soort zijn opvallend zwart van kleur.
Main Image
 
Liocarcinus depurator Krab. Marien. De Blauwpootzwemkrab is een opvallende krab met een steenrood- of bruinrood rugschild. De naam heeft dit dier te danken aan de opvallend blauw gekleurde 'zwemvliesjes' van de twee achterste poten. Het meest onderscheidende kenmerk is dat het rugschild ruw is en bezet met duidelijke richels. Bij volwassen dieren kan het rugschild een breedte bereiken van iets meer dan vijf centimeter. Tussen de ogen staan drie duidelijk tanden. Wijfjes met eieren zijn gemakkelijk te herkennen. De eieren van deze soort zijn opvallend zwart van kleur.Afmetingen: Mannetjes rugschild tot 67 mm breed en wijfjes tot 56 mm breed.
Kleur: Rugschild is rood/bruinrood gekleurd. De twee achterste peddels (poten) zijn tevens blauw gekleurd.
Rugschild: Ruw oppervlak bedekt met vele kleine haartjes.
Overig: Eitjes zijn makkelijk te herkennen aan de zwarte kleur. Deze Blauwpoot zwemkrab beweegt zich tevens ook zwemmend zijdelings door het water.
 De Blauwpoot zwemkrab is een zeldzame verschijning. Deze soort komt voor vanaf Noord Noorwegen tot Noord Afrika en in de Middellandse Zee. Het gebied met de grootste trefkans voor het vinden van deze soort bevindt zich in de driehoeksvorm: Zierikzee, Goese sas en Stavenisse.Getijdenzones tot 550 m diepte. Levend op zacht substraat zoals zandbodems en zandbodems gemengd met schelpen. Hard substraat wordt gemeden door deze soort. 107387NederlandZoutwaterMOO
Blauwtipje
Janolus cristatus

Blauwtipje
Janolus cristatus

Zeenaaktslak. Ca. 40 mm (tot 75 mm). Het kopgedeelte voor de rhinoforen (reuksprieten) is over de volle breedte bedekt met opgezwollen cerata (longpapillen). Op de rug, uitgezonderd het middengebied en de staartpunt, eveneens talrijke cerata. Deze hebben een blauw iriserende witte top, met aan de basis blauwachtig iriserend pigment. Rhinoforen lang en gelamelleerd. Op de kop tussen de rhinoforen zit een merkwaardig langwerpig 'kruintje'.

Main Image
 
Janolus cristatus 

Zeenaaktslak. Ca. 40 mm (tot 75 mm). Het kopgedeelte voor de rhinoforen (reuksprieten) is over de volle breedte bedekt met opgezwollen cerata (longpapillen). Op de rug, uitgezonderd het middengebied en de staartpunt, eveneens talrijke cerata. Deze hebben een blauw iriserende witte top, met aan de basis blauwachtig iriserend pigment. Rhinoforen lang en gelamelleerd. Op de kop tussen de rhinoforen zit een merkwaardig langwerpig 'kruintje'.

Afmetingen: Lengte tot 75 mm. In Nederland meestal niet langer dan 40 mm.
Kleur: Het lichaam zelf is kleurloos transparant, soms wat gelig. De top van de papillen draagt wit pigment, dat vaak blauw iriseert. Op de rug zijn wat witte vlekjes aanwezig. Op het midden van de staart is een witte lengtestreep zichtbaar. In de papillen loopt in de lengterichting een zwarte lijn, die bij de top vertakt.
Vorm: Blauwtipjes vallen onmiddellijk op door het grote aantal breed uitlopende uitsteeksels op de rug, (cerata of longpapillen genaamd) en de kleur daarvan. De cerata staan aan weerszijden van het lichaam en ook voor op de kop. Het midden van de rug is vrij van cerata. De rhinoforen zijn lang en gelamelleerd. Op de kop tussen de rhinoforen zit een merkwaardig langwerpig 'kruintje'.
Eieren: De voor deze soort karakteristieke eisnoeren hebben de vorm van een wit kronkelig kettingsnoer, met eieren in groepjes en omlaag gebogen u-vormige lussen.

 

Blauwtipjes worden vooral in de Oosterschelde waargenomen, hoewel er ook incidentele waarnemingen bekend zijn uit het Grevelingenmeer, de westelijke Waddenzee en de mond van de Westerschelde.

Waarnemingen blauwtipje:
Verspreidingsatlas.nl: blauwtipje.
Waarneming.nl: blauwtipje.
Telmee.nl: blauwtipje.

Op hard substraat, van de laagwaterlijn tot ten minste 20 m diepte. Blauwtipjes eten van struikvormige mosdiertjes, in de Nederlandse wateren vooral van Bugula plumosa, hoewel de dieren ook regelmatig op Bicellariella ciliata worden waargenomen.
De karakteristieke eisnoeren zijn te vinden vanaf juli tot december en hebben de vorm van een karakteristiek wit kronkelig kettingsnoer, met omlaag gebogen u-vormige lussen. Ze worden meestal in mosdiertjeskolonies afgezet.

Dieren worden meestal vanaf juli tot ver in het najaar waargenomen. Na zachte winters ook voorjaars-waarnemingen.

140855

NederlandZoutwaterMOO|LIMP
Bleke knuppelslak
Eubranchus pallidus

Bleke knuppelslak
Eubranchus pallidus

Zeenaaktslak. Tot 23 mm. Rhinoforen ca. twee keer zo lang als de tentakels. De rug is dicht bezet met gezwollen papillen, gerangschikt in tot 10 schuin oplopende rijen van maximaal 7 papillen per rij, alle met een spitse punt. Aan de zijkanten is de voet dicht bezet met korte en minder gezwollen papillen. Schaars. Noordzee, Ooster- en Westerschelde, Waddenzee.
Main Image
 
Eubranchus pallidus Zeenaaktslak. Tot 23 mm. Rhinoforen ca. twee keer zo lang als de tentakels. De rug is dicht bezet met gezwollen papillen, gerangschikt in tot 10 schuin oplopende rijen van maximaal 7 papillen per rij, alle met een spitse punt. Aan de zijkanten is de voet dicht bezet met korte en minder gezwollen papillen. Schaars. Noordzee, Ooster- en Westerschelde, Waddenzee.

Afmetingen: Tot 23 mm.
Kleur: De lichaamskleur is grijswit, met voor op de rug meestal roodbruine tot oranje vlekken. Zowel het lichaam als de cerata hebben zeer karakteristieke oranjebruine vlekjes en verder ook witte puntjes. De cerata zijn aan de top transparant, met vlak daaronder wit pigment dat de cnidosac maskeert en waarover een goudgele tot lichtbruine pigmentring kan liggen. De rhinoforen en tentakels hebben in het midden vaak een bruine band en de uiteinden zijn wit gespikkeld. De pigmentering is variabel.
Vorm: De rhinoforen zijn ca. twee keer zo lang als de tentakels. De rug is dicht bezet met gezwollen papillen, gerangschikt in tot 10 schuin oplopende rijen van maximaal 7 papillen per rij, alle met een spitse punt. Aan de zijkanten is de voet dicht bezet met korte en minder gezwollen papillen.

Eieren: Eisnoeren zijn meestal aan het eind van de lente of in de zomer aangetroffen. Ze worden op het voedsel afgezet en vormen een variabel gedraaid plat lint, met minder dan twee windingen.

 

Noord-Atlantische soort, IJsland, Barentszzee, Noorwegen, via de Britse Eilanden tot in de westelijke Middellandse Zee. Elders ook in Noordoost-Amerika. In Nederland sinds 1951  sporadisch autochtoon aangetroffen in de Westerschelde bij Vlissingen, in de Noordzee, bij Texel en Den Helder en op aangespoelde voorwerpen op onze stranden. Vanaf 1986 ook bekend uit de Oosterschelde, waar de dieren vooral in het centrale en westelijke gedeelte leven. Er zijn ook meerdere waarnemingen uit het zuidwestelijke Grevelingenmeer uit de periode 2006-2012.

Opmerking: Mogelijk betreft een deel van deze waarnemingen de Witgezoomde knuppelslak.   

In het sublitoraal op hard substraat in al dan niet beschutte gebieden, waar het voedsel voorkomt. het voedsel bestaat uit Hydropoliepen van de geslachten Laomedea en Obelia.Nederlandse waarnemingen zijn zeldzaam en stammen uit de winter, lente en vroege zomer, vooral uit mei-juli.139768NederlandZoutwater 
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

Mariene soorten en ecologie

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

Back To Top