Search
Search
 
Zoeken
 
 
Zoeken
Biotoop
Project
 
   
 
Groepen
 
 
Groenwieren (7)
Roodwieren (11)
Bruinwieren (13)
Waterplanten (2)
Sponzen (21)
Bloemdieren (15)
Hydropoliepen (23)
Schijfkwallen (7)
Steelkwallen (1)
Ribkwallen (5)
Ringwormen (1)
Borstelwormen (27)
Hoefijzerwormen (1)
Snoerwormen (5)
Kelkwormen (1)
Platwormen (2)
Naaktslakken (63)
Tweekleppigen (120)
Huisjesslakken (108)
Stoottanden (1)
Inktvissen (21)
Keverslakken (3)
Schildvoetigen (1)
Zeespinnen (4)
Krabben (25)
Kreeften (3)
Garnalen (11)
Heremietkreeften (3)
Aasgarnalen (2)
Vlokreeften (14)
Rankpotigen (6)
Zeepissebedden (3)
Mosdiertjes (15)
Zeesterren (6)
Zee-egels (3)
Zakpijpen (16)
Vissen (127)
Zeezoogdieren (4)
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 671 items in 68 pages
ZoekbeeldKenmerken
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 671 items in 68 pages
Dubbele waaierkokerworm
Bispira volutacornis

Dubbele waaierkokerworm
Bispira volutacornis

Borstelworm. Mariene soort.
Main Image
 
Bispira volutacornis Borstelworm. Mariene soort.     130875NederlandZoutwaterMOO
Dubbelstreepsnoerworm
Lineus bilineatus

Dubbelstreepsnoerworm
Lineus bilineatus

Main Image
 
Lineus bilineatus       122511NederlandZoutwaterMOO
Dunlipharder
Liza ramada

Dunlipharder
Liza ramada

Zeevis. Ook in brak en soms in zoet water. 50-60 cm (tot 70 cm). Groot, stevig en slank torpedovormig lichaam, met een blauwgroene rug en bijna zilverachtige witte flanken en buik. De bovenlip is dunner dan de halve ooglengte en niet voorzien van papillen. Zwemmen meestal in groepsverband te vinden.

Main Image
 
Liza ramada 

Zeevis. Ook in brak en soms in zoet water. 50-60 cm (tot 70 cm). Groot, stevig en slank torpedovormig lichaam, met een blauwgroene rug en bijna zilverachtige witte flanken en buik. De bovenlip is dunner dan de halve ooglengte en niet voorzien van papillen. Zwemmen meestal in groepsverband te vinden.

Afmetingen: Lengte tot 70 cm.
Kleur:
Blauwgroene rug en bijna zilverachtige witte flanken en buik. Rug met donkere lengtestrepen. Vage donkere vlek achter de borstvinnen.
Vorm: Het lichaam is stevig en slank torpedovormig. De bovenlip is dunner dan de halve ooglengte en  niet voorzien van papillen. De huid is bezet met grote schubben die op afstand op lengtestrepen lijken.
Vinnen:
De eerste rugvin is karakteristiek met vier harde vinstralen, de tweede rugvin en de anaalvorm zijn hoekig van vorm. De staart is gevorkt.

  Harders worden vooral bij pontons en wrakken gesignaleerd. Ze kunnen ook dicht bij oevers worden waargenomen, waar ze algen af wieren grazen. De dieren eten voornamelijk plantaardig voedsel en de zeer kleine diertjes die daar tussen zitten. Volwassen dieren eten ook schelpdieren.

Dunlipharders komen in Nederland weinig voor. Soms worden ze ook in zoet water gezien.

 126980NederlandZoutwaterMOO
Dunne parelmoerneut
Ennucula tenuis

Dunne parelmoerneut
Ennucula tenuis

Mariene tweekleppige. Tot 6 mm. Glanzend geelbruine, matig stevige schelpjes. Leeft ingegraven in slibhoudende bodems met hoogstens de achterrand van de schelpen boven de bodem. Schelpen aan de binnenzijde glanzend parelmoerkleurig met een taxodont slot. Leeft verder van de kust, spoelt zelden of nooit aan.

Main Image
 
Ennucula tenuis 

Mariene tweekleppige. Tot 6 mm. Glanzend geelbruine, matig stevige schelpjes. Leeft ingegraven in slibhoudende bodems met hoogstens de achterrand van de schelpen boven de bodem. Schelpen aan de binnenzijde glanzend parelmoerkleurig met een taxodont slot. Leeft verder van de kust, spoelt zelden of nooit aan.

Afmeting: 6 x 5 mm.
Schelpkleur:
Variërend van grijsgroen of grijsbruin tot donker bruin (opperhuid). Schelpjes zelf zijn lichter, crèmewit.
Schelpvorm: De schelpjes zijn dunwandig en hebben een glanzend oppervlak, Wanneer de achterkant verticaal wordt gehouden, is de bovenkant boven het horizontale vlak gebogen. Het maantje is lancetvormig.
Sculptuur:
Concentrische groeilijnen worden gekruist door alleen microscopisch waarneembare radiaire lijntjes.
Slot:
Het slot heeft 16-18 tandjes in de voorste groep en 6-10 in de achterste.
Binnenzijde schelp: Glanzend (iriserend) parelmoer. De onderrand van de schelp is glad, ongecreneleerd. Geen mantelbocht.

Door toename van de onderzoeksinspanning is het aantal 10 x 10 km hokken toegenomen, maar de kans de soort aan te treffen in een bodemmonster is in de periode 1960-2010 sterk afgenomen.

Wijd verspreid op het noordelijk halfrond, langs de gehele Europese Atlantische kust en in de Middellandse Zee. Elders onder meer langs de Noord-Amerikaanse oost- en westkust en verder vanaf de Beringstraat tot aan Japan.
In het Nederlandse Noordzeegebied voornamelijk bekend van de Oestergronden, het Friese Front en enkele verspreide vindplaatsen rond de Klaverbank en in het offshore-gebied bij Texel.

Op het strand: Van het strand, ook van de Waddeneilanden, zijn nog geen schelpen gemeld. Meldingen uit Zeeland hebben alle betrekking op fossiel materiaal.

Mariene soort. Voornamelijk ingegraven in slibhoudende bodems. De dieren zijn 'selective depositfeeders’, ze verzamelen hun voedsel door met de tot lange tasters uitgegroeide mantelflappen algenmateriaal en detritus uit de toplaag van het sediment te verzamelen en naar de mond te transporteren. Dit in tegenstelling tot veel andere tweekleppigen, die de al dan niet in sifonen uitgegroeide in- en uitstroomopeningen van de mantel gebruiken om water met voedseldeeltjes aan te zuigen en dat via de kieuwen uit te zeven (filteraars). Omdat echte sifonen ontbreken, wordt bij Nuculidae een waterstroom door de hele mantelholte geleid door een wapperende beweging van de franjebanden langsde mantelflappen, de mantelranden en de kieuwen.
De dieren zijn van gescheiden geslacht. Ei-afzetting en bevruchting vindt plaats via de waterkolom in zomer en najaar. Ze kunnen minstens 3 jaar worden.
 140584NederlandZoutwaterSMP|ANM
Dunschalig zeeklitschelpje
Tellimya tenella

Dunschalig zeeklitschelpje
Tellimya tenella

Mariene tweekleppige. Tot 5 mm. Schelpkleur: verse exemplaren zijn blauwachtig wit en iets transparant en hebben vaak een roestkleurige aanslag. Lege schelpen zijn doorgaans ondoorschijnend en crèmewit. De umbo’s liggen gezien vanaf de voorrand van de schelp op ongeveer tweederde van de totale schelplengte. Oppervlak glad, met fijne groeilijnen. Geen mantelbocht. Deze soort leeft in associatie met de in de bodem ingegraven Modderzeeklit Brissopsis lyrifera, Bekend uit de Noordzee (Oestergronden). Niet van het strand bekend.
Main Image
 
Tellimya tenella Mariene tweekleppige. Tot 5 mm. Schelpkleur: verse exemplaren zijn blauwachtig wit en iets transparant en hebben vaak een roestkleurige aanslag. Lege schelpen zijn doorgaans ondoorschijnend en crèmewit. De umbo’s liggen gezien vanaf de voorrand van de schelp op ongeveer tweederde van de totale schelplengte. Oppervlak glad, met fijne groeilijnen. Geen mantelbocht. Deze soort leeft in associatie met de in de bodem ingegraven Modderzeeklit Brissopsis lyrifera, Bekend uit de Noordzee (Oestergronden). Niet van het strand bekend.

Afmetingen: L. tot 5 mm, H. tot 3 mm.
Schelpkleur: Verse exemplaren zijn blauwachtig wit en iets transparant en hebben vaak een roestkleurige aanslag. Lege schelpen zijn doorgaans ondoorschijnend en crèmewit.
Schelpvorm: De kleppen zijn minder bol dan bij het Ovale zeeklitschelpje en ook duidelijk minder langgerekt.
Sculptuur: Het oppervlak van de schelp is glad met fijne groeilijnen.
Slot: De rechterklep heeft een cardinale tand, de linker een laterale tand die voor het midden ligt Binnenzijde schelp:  2 spierindruksels. Geen mantelbocht.

Dier: Als bij het Ovale zeeklitschelpje, de mantel heeft echter relatief weinig papil- of franjevormige tentakels. Er is een grote lange instroomsifo aan de bovenzijde en een korte uitstroomsifo aan de onderzijde. Lichaamskleur witachtig.

 

Zowel de Modderzeeklit als het ‘Dunschalige zeeklitschelpje’ hebben een boreale verspreiding en zijn aangetroffen van Noord- Noorwegen tot in het Kattegat en op de hier op kaart weergegeven vindplaatsen. De meest westelijke vindplaats bevindt zich op de Porcupine Bank ten westen van Ierland. Ook rond de Britse Eilanden aangetroffen, maar niet ten zuiden daarvan. De dieren leven vooral op diepten tussen 17 en 750 m. Minder dan 5% kwam van diepten beneden de 150 m. In het Nederlandse deel van de Noordzee kan de Modderzeeklit worden gevonden op een verspreid aantal locaties in de Oestergronden. Omdat deze tweekleppige alleen wordt gevonden op plaatsen waar deze zee-egel leeft, blijft de verspreiding ook beperkt tot die locaties. Alle waarnemingen zijn van recente datum. Voor het eerst waargenomen in 1991. Daarna in diverse hokken aangetroffen, alle gelegen op of rond de Oestergronden.

Op het strand: Nog niet gemeld.

De soort leeft in associatie met de in de bodem ingegraven Modderzeeklit Brissopsis lyrifera. Deze soort, die verwant is aan de (gewone) Zeeklit, komt voor op enige afstand van de kust op slibrijke bodems of klei. Op één zee-egel kunnen meerdere zeeklitschelpjes voorkomen. Van de leefwijze is verder niet veel bekend. De dieren zijn hermafrodiet en de eieren in de kieuwen bewaard, waar de larven ook gedurende de eerste levensstadia verblijven. 152397NederlandZoutwaterANM
Dwergbolk
Trisopterus minutus

Dwergbolk
Trisopterus minutus

Zeevis. Tot 30 cm, meestal kleiner. Egaal geelbruin, rug iets donkerder, buik lichter. Nooit band- of streeppatronen. Kleine zwarte stip boven de basis van de borstvinnen. Bek iets onderstandig. Duidelijke baarddraad onder de kin. Drie rugvinnen en twee niet vergroeide anaalvinnen. Voorzijde eerste anaalvin net achter de eerste rugvin beginnend. Vrij algemeen op zandbodems, rond wrakken en in Zeeland langs stenige oevers. Zwemt in kleine scholen.
Main Image
 
Trisopterus minutus Zeevis. Tot 30 cm, meestal kleiner. Egaal geelbruin, rug iets donkerder, buik lichter. Nooit band- of streeppatronen. Kleine zwarte stip boven de basis van de borstvinnen. Bek iets onderstandig. Duidelijke baarddraad onder de kin. Drie rugvinnen en twee niet vergroeide anaalvinnen. Voorzijde eerste anaalvin net achter de eerste rugvin beginnend. Vrij algemeen op zandbodems, rond wrakken en in Zeeland langs stenige oevers. Zwemt in kleine scholen.Afmetingen: Lengte tot 30 cm, meestal kleiner.
Kleur: Egaal geelbruin, enigszins donkerder op de rug en lichter bij de buik, maar zonder band- of streeppatronen. Een kleine zwarte stip aan de bovenkant van de basis van de borstvinnen.
Vorm: Iets onderstandige bek met duidelijke baarddraad onder de kin.  
Vinnen: De Dwergbolk heeft drie vinnen op de rug. en twee (niet met elkaar vergroeide) anaalvinnen. De voorste rugvin loopt minder sterk uit in een stekelvorm. De voorzijde van de eerste anaalvin begint net achter de eerste rugvin.
 Noordoost- en Noordwest-Atlantische Oceaan, Kattegat, Noordzee en Middellandse Zee. Langs de Nederlandse kust algemeen, maar vooral jonge exemplaren. Niet in grote aantallen. In de Noordzee vaak bij wrakken. In Zeeland langs rotsachtige kusten.

Dwergbolken leven in kleinere scholen op zandbodems, mar vaak nabij hard substraat (stenen, wrakken). Ook dichter bij de kust en in de Zeeuwse wateren. Leeft steeds nabij de bodem op diepten tussen 5 en 250 meter. Paait in de wintermaanden. Het voedsel bestaat uit kleinere bodemorganismen, maar ook uit vrijzwemmende kreeftachtigen en kleine vissen.

 126446NederlandZoutwaterMOO
Dwergbot
Phrynorhombus norvegicus

Dwergbot
Phrynorhombus norvegicus

Mariene vissoort (zeevis). Kleine langwerpige platvis met ogen op de linkerzijde. Tot 12 cm. Linkerkant bruin met gele, oranje of roodbruine, vaak kommavormige vlekken. Rechterzijde wit met een zichtbare zijlijn. Oppervlak bedekt met grove schubben waarvan de randen getand zijn. De rugvin begint iets voor het rechteroog. De buik- en anaalvin lijken door te lopen, maar zijn niet vergroeid.
Main Image
 
Phrynorhombus norvegicus Mariene vissoort (zeevis). Kleine langwerpige platvis met ogen op de linkerzijde. Tot 12 cm. Linkerkant bruin met gele, oranje of roodbruine, vaak kommavormige vlekken. Rechterzijde wit met een zichtbare zijlijn. Oppervlak bedekt met grove schubben waarvan de randen getand zijn. De rugvin begint iets voor het rechteroog. De buik- en anaalvin lijken door te lopen, maar zijn niet vergroeid.Afmetingen: Gemiddeld nog geen 10 cm (maximaal 12 cm).
Kleur: Gekleurde linkerkant lichtbruin of geelachtig met geelbruine tot roodbruine, vaak kommavormige, onregelmatige vlekken, die vaak in dwarsverband staan. Ook rozerode of oranje ronde vlekken kunnen in het patroon voorkomen. In rotsachtige gebieden passen de dieren zich goed aan aan een rotsachtige ondergrond begroeid met roodalgen. Het oppervlak van de vis kan ook begroeid raken met andere organismen. Rechterzijde (blinde onderzijde) witachtig, maar wel met een zichtbare zijlijn.
Vorm: Platvis met ogen op de linkerzijde. Zeer kleine, langwerpige soort. Het oppervlak is bedekt met grove schubben. De randen van de schubben zijn getand, daardoor voelt de vis ruw aan.
Vinnen: De rugvin begint iets voor het rechteroog. De buik- en anaalvin lijken door te lopen, maar zijn in feite niet met elkaar vergroeid.  Rug- en anaalvin lopen rond de staartwortel uit in een soort lobben.
 Noordoost-Atlantische Oceaan, vanaf het arctisch gebied (Moermansk), zuidwaards via Noorwegen en IJsland, de Britse eilanden, de Noordzee (nu en dan in Skagerrak en Kattegat), tot aan de Golf van Biskaje. Langs de Nederlandse kust zeldzaam.Leeft op stenige bodems op een diepte van 20-170 meter. Gewoonlijk alleen onder puur mariene omstandigheden. Leeft voornamelijk op stenige bodems. De dieren kunnen zich met hun vinnen stevig aan hard substraat hechten en zo ook op de verticale zijden van rotsen en stenen voorkomen. Het voedsel bestaat vooral uit kreeftachtigen en wormen. De paaitijd valt tussen april en juli. De eieren leven ongeveer een week vrij zwevend in het water. De vislarven brengen eveneens eerst een periode zwevend in het water door, waarna ze bij een lengte van circa 10-13 mm tot kleine platvis transformeren en dan naar de bodem afzakken. 127147NederlandZoutwater 
Dwerg-drijfhorentje
Pusillina inconspicua

Dwerg-drijfhorentje
Pusillina inconspicua

Mariene huisjesslak. Tot 3 mm. Glasachtig doorschijnend, crèmewit of bleekwit, met duidelijk donkerrood of paars topje. Vaak dunschalig (soms veel dikker) horentje met 4-6 matig bolle windingen. Top spits, mondopening hoekig. Buitenlip vaak verdikt. Geen navel. Laatste winding vaak glad, maar soms met smalle (nu en dan ook bredere) verticale ribjes en soms onregelmatige spiraallijntjes. Dier met lange koptentakels, ogen op duidelijke verdikking aan de basis. Voet kort en smal, met 1 achtervoettentakel. Lichaamskleur crèmewit of grijswit. Op wieren en/of hydropoliepen. Zeeland en Noordzee, zelden levend gemeld, maar spoelt veel vers/levend aan.
Main Image
 
Pusillina inconspicua Mariene huisjesslak. Tot 3 mm. Glasachtig doorschijnend, crèmewit of bleekwit, met duidelijk donkerrood of paars topje. Vaak dunschalig (soms veel dikker) horentje met 4-6 matig bolle windingen. Top spits, mondopening hoekig. Buitenlip vaak verdikt. Geen navel. Laatste winding vaak glad, maar soms met smalle (nu en dan ook bredere) verticale ribjes en soms onregelmatige spiraallijntjes. Dier met lange koptentakels, ogen op duidelijke verdikking aan de basis. Voet kort en smal, met 1 achtervoettentakel. Lichaamskleur crèmewit of grijswit. Op wieren en/of hydropoliepen. Zeeland en Noordzee, zelden levend gemeld, maar spoelt veel vers/levend aan.Afmetingen: H. tot 3 mm, B. tot 2 mm.
Schelpkleur: Glasachtig doorschijnend, crèmewit of bleekwit, met een duidelijk herkenbaar donkerrood of paars topje.
Schelpvorm: Vaak dunschalig (soms veel dikker) horentje met een variabele vorm en 4-6 matig bolle windingen. De top is spits, de mondopening hoekig tot bijna vierkant. Buitenlip vaak verdikt. Een navel ontbreekt of is nauw.

Sculptuur: Laatste winding vaak glad, maar soms met smalle (nu en dan ook bredere) verticale ribjes. Soms onregelmatige spiraallijntjes.

Dier: Koptentakels lang en dun, ogen op duidelijke verdikking aan de basis. Voet kort en vrij smal, met een enkele, lange slanke achtervoettentakel op het uiteinde. Lichaamskleur crèmewit of grijswit, met vale gele vlekken.

 

Van het Arctisch Gebied en de Oostzee tot de Azoren en de Middellandse Zee. In Nederland autochtoon bekend uit de Oosterschelde, waar de soort in 1989 en 1990 meerdere keren is aangetroffen op de duiklocatie ‘Weldamse weg’ op Obelia spec. De soort is nog maar weinig levend gemeld, vermoedelijk vanwege de geringe afmetingen, de gelijkenis met kleine huisjes van Wadslakje Peringia ulvae en het feit dat de soort vrij lastig te herkennen is. Ook bij Noordzeebemonsteringen zelden gevonden.

Op het strand: De dieren moeten in redelijke aantallen voorkomen in het sublitoraal, gezien de regelmaat waarmee vaak aanzienlijke aantallen huisjes met vleesresten, operculum en nog levende dieren aanspoelen in zeer fijn aanspoelsel op het strand. Mogelijk leven ze op organismen als hydropoliepen.

In het litoraal en (vooral) sublitoraal van rots- en zandkusten. Aangetroffen tot diepten van ruim 100 m. O.a. levend tussen roodwieren op hard substraat. Hoogstwaarschijnlijk echter ook tussen andere organismen, zoals hydropoliepen. Het voedsel bestaat onder andere uit diatomeeën, algen en detritus. De dieren zijn van gescheiden geslacht. De mannetjes zijn vaak iets kleiner. Voortplanting in noordelijker streken aan het einde van de zomer, in zuidelijker gebieden al eerder. Eieren afgezet in lensvormige eicapsules op divers substraat. Leeftijd: vermoedelijk eenjarig. 141334NederlandZoutwaterSMP|ANM
Dwerginktvis
Sepiola atlantica

Dwerginktvis
Sepiola atlantica

Tienarmige inktvis. Mariene soort. Tot ca. 5 cm. Melkachtig transparant, met bruinrode en gele pigmentvlekjes. Kleine soort met plomp, zakvormig lichaam, aan de rugzijde met de kop vergroeid. Aan de kop 5 paar armen, waarvan één paar langer. Aan weerszijden een ronde flapvormige vin. Schelp: 18 mm, inwendig, chitineus zonder kalk. Ondiep tot 90 m. Noordzee, Waddenzee, Zeeland (Ooster- en Westerschelde, Grevelingen).

Main Image
 
Sepiola atlantica 

Tienarmige inktvis. Mariene soort. Tot ca. 5 cm. Melkachtig transparant, met bruinrode en gele pigmentvlekjes. Kleine soort met plomp, zakvormig lichaam, aan de rugzijde met de kop vergroeid. Aan de kop 5 paar armen, waarvan één paar langer. Aan weerszijden een ronde flapvormige vin. Schelp: 18 mm, inwendig, chitineus zonder kalk. Ondiep tot 90 m. Noordzee, Waddenzee, Zeeland (Ooster- en Westerschelde, Grevelingen).

Afmetingen: Totale lengte tot ca. 5 cm.
Lichaamskleur:
Het lichaam is melkachtig transparant, met veel bruinrode en gele pigmentvlekjes. Doordat deze vlekjes (chromatoforen) razendsnel in grootte kunnen veranderen, kan het dier snel van kleur veranderen.
Lichaamsvorm: Kleine soort met een plomp, zakvormig lichaam. Aan de rugzijde is het lichaam met de kop vergroeid. Aan de kop zitten 5 paar armen, waarvan één paar langer is.
Armen:
De Dwerginktvis bezit 5 paar armen. Één paar armen is langer en wordt gebruikt om prooien mee te vangen. Elke arm bevat 2 tot 8 zuignapjes. Bij het mannetje bevat één arm een groef, waarmee het sperma in de lichaamsopening van het vrouwtje gebracht wordt.
Vinnen:
Rondom het lichaam zit aan weerszijden een ronde flapvormige vin van ca 10 mm diameter.
Schelp:
een skelet ontbreekt. Het dier bezit alleen een chitineus inwendig rugschild, dat ca 18 mm lang kan zijn. Dit schild bevat geen kalk, zoals bij de zeekat, zodat het nagenoeg transparant is.
Overig: (Zoektip) Dwerginkvissen leven op zachte bodems,waar ze zich kunnen ingraven bij gevaar. De dieren zijn doorgaans nieuwsgierig en komen weer tevoorschijn als je geduldig bent. Het ondiepe water bij het Koepeltje is een goede plek om te zoeken.

 Van Noorwegen langs alle kusten van Noordwest-Europa tot Marokko. Waar de waterdiepte meer dan 50-60 m bedraagt, wordt de kans op andere Sepiola-soorten groter. Bij rotskusten met baaien komen de dieren soms wel in de baai, maar niet daarbuiten voor. Uit Nederland is de Dwerginktvis bekend van Zeeland, de Waddenzee en de Noordzee. Vooral in het Oosterschelde-bekken en Grevelingenmeer vaak door duikers waargenomen. In het late voorjaar soms in strandpoelen en zwinnen. De soort wordt regelmatig door garnalenkotters gevangen en is ook als kornetvangst gemeld.

Pelagische bodembewoner van ondiepe kustwateren en estuaria, tot 90 m diep. De dieren liggen in zachte bodems ingegraven in het zand te wachten op een prooi, die vanuit deze hinderlaag wordt buitgemaakt. Het voedsel bestaat vooral uit jonge garnalen en aasgarnalen. De dieren zijn van gescheiden geslacht. De 3 mm grote eieren worden in ongekleurde doorzichtige trosjes van ten hoogste 50 stuks gelegd en aan allerlei substraat vastgemaakt.

 141454NederlandZoutwaterMOO
Dwerg-pijlinktvis
Alloteuthis subulata

Dwerg-pijlinktvis
Alloteuthis subulata

Tienarmige inktvis. Mariene soort. Mannetjes tot 20, vrouwtjes tot 17 cm. Lichaamskleur vuilwit tot bruinrood met regelmatig verdeelde chromatoforen. Lichaam slank pijlvormig. Vangarmen met twee rijen zuignapjes. Op de lepels van de tentakels vier rijen zeer kleine zuignapjes. Vinnen beginnend op ca. een derde van de mantellengte. Inwendig gelegen gladius (schelp/rugschild) veervormig, alleen bestaand uit chitine zonder kalk. Schelpkleur: deels doorschijnend bruingeel.
Main Image
 
Alloteuthis subulata Tienarmige inktvis. Mariene soort. Mannetjes tot 20, vrouwtjes tot 17 cm. Lichaamskleur vuilwit tot bruinrood met regelmatig verdeelde chromatoforen. Lichaam slank pijlvormig. Vangarmen met twee rijen zuignapjes. Op de lepels van de tentakels vier rijen zeer kleine zuignapjes. Vinnen beginnend op ca. een derde van de mantellengte. Inwendig gelegen gladius (schelp/rugschild) veervormig, alleen bestaand uit chitine zonder kalk. Schelpkleur: deels doorschijnend bruingeel.

Afmetingen: Mantellengte bij mannetjes tot 14, bij vrouwtjes tot 12 cm. Lengte hele dier: tot 20 (man)  tot 17 cm (vrouw)
Lichaamskleur: Variërend van vuilwit tot bruinrood, de typischekleurschakeringen van een kustbewoner die zich goed aan de achtergrond kanaanpassen. De vele kleine en grote chromatoforen zijn zeer regelmatig over hetlichaam verdeeld.
Lichaamsvorm: Het lichaam is slank pijlvormig, uitlopend in een punt. Bij het mannetje is die zeer scherp. De mantelrand steekt aan de rugzijde in een afgeronde punt naar voren over de verbinding met de kop, maar is niet met de kop vergroeid.
Armen: Op de vangarmen twee rijen zuignapjes. De lepels aan de uiteinden van de langere tentakels zijn maar weinig breder dan de tentakels en hebben vier rijen zeer kleine zuignapjes. Bij het mannetje is de vierde arm linksgehectocotyliseerd, vooral de top is omgevormd om de spermatoforen over te brengen.
Vinnen: De vinnen zijn, op de rug gezien, hartvormig en beginnen op ongeveer een derde van de mantellengte, gerekend vanaf de mantelrand. 

Schelp (rugschild): De inwendig gelegen gladius is slank, veervormig en bestaat uit chitine zonder kalk. Hij beslaat de totale dorsale mantellengte. De schelpkleur is deels doorschijnend licht- tot bruingeel.

 

Van de Shetland-Eilanden tot in de Middellandse Zee. Alleen dicht langs de kust. Het is in de Noordzee de meest voorkomende inktvissoort. In Nederland wordt de soort tot vlak voor de kust waargenomen, met name in het Waddengebied en de Zeeuwse wateren. In de Oosterschelde vooral waargenomen in de maanden mei, juni en juli.

Op het strand: Zelden spoelen levende dieren aan. De eieren zijn nu en dan te vinden, de schelp (rugschild) slechts bij hoge uitzondering.

Pelagische leefwijze. Bewoner van ondiepe kustwateren, leeft vlak boven de bodem. Trekt in het voorjaar naar de kust om eieren af te zetten, waarna de volwassen dieren sterven. Jonge dieren trekken bij dalende watertemperatuur in het najaar langs de kust naar het diepere en dan nog warmere water in het midden van de Noordzee. Het voedsel bestaat uit kleine vis en garnalen. De dieren zijn van gescheiden geslacht. Paaitijd langs de Nederlandse kust in voorjaar en zomer. De 2 mm grote eieren liggen ingekapseld in een aantal gelatineachtige, ongekleurde en meestal doorzichtige strengen van 10 cm, die in trosjes, met een steeltje op wier of ander substraat worden vastgemaakt.

 153131NederlandZoutwaterMOO
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

Mariene soorten en ecologie

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

Back To Top