Instellingen
 
 
  Verspreiding   Kolommen   Paginalay-out   Groepen    
 
select
 
select
  Indeling
select


Uiterlijk
select
  Groepsnaam
select


Sortering groepsnaam
select
 


 
   
 
Groepen
 
 
Sponzen
Neteldieren
Ribkwallen
Ringwormen
Borstelwormen
Hoefijzerwormen
Snoerwormen
Kelkwormen
Weekdieren
Zeespinnen
Kreeftachtigen
Mosdiertjes
Stekelhuidigen
Zakpijpen
Vissen
Reptielen
Zoogdieren
Vaatplanten
Roodwieren
Groenwieren
Bruinwieren
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 747 items in 75 pages
ZoekbeeldAreaal en verspreiding
 
           
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 747 items in 75 pages
Adderzeenaald
Entelurus aequoreus
Entelurus aequoreusZeevis, Tot 40 cm. Langgerekte vis met een beenplaten huid. Lichtbruin tot geelbruin, soms olijfgroen. Op de flanken opvallende lichtblauw iriserende lichaamsringen. Snuit met een rode lengtestreep, buisvormig en langer dan de halve koplengte. De staart wordt net als bij zeepaardjes vaak gebruikt om zich mee vast te houden. Geen borstvinnen en anaalvin, achteraan een onduidelijke rugvin, staartvin zeer klein. Schaars tot zeldzaam tussen wier.

Afmetingen: Lengte 40 (tot 65) cm.
Kleur: Licht geelbruin tot olijfgroen met blauw iriserende dwarsstreepjes op de flanken en een rode lengtestreep op de snuit.
Vorm: De snuit is buisvormig en langer dan de halve koplengte. De staart wordt net als bij zeepaardjes vaak in gebruik om zich mee vast te houden.
Vinnen: Geen borstvinnen en anaalvin, achteraan een onduidelijke rugvin. De staart heeft alleen een klein vinnetje met slechts enkele (4-6) vinstralen.
Status: bedreigd (rode lijst

 

 Noordoost-Atlantische Oceaan, IJsland, Noorwegen, Scandinavië, Oostzee, Noordzee. Atlantische kust tot Portugal, maar ook bekend van de Azoren. In Nederland in lage aantallen in de kustzone. Regelmatig waargenomen, maar schaars tot zeldzaam. De soort staat als bedreigd op de Rode Lijst.Adderzeenaalden leven vaak tussen bruinwieren en in zeegrasvelden, maar kunnen ook op volle zee worden aangetroffen. Op diepten tussen ca 5 en 100 m. Paaitijd in juni-juli. De tot 1000 eieren worden door het vrouwtje in de buidel van het mannetje gedeponeerd, waar ze uitkomen en waar de embryos nog enige tijd in verblijven. De jonge dieren hebben nog enige tijd borstvinnen, die ze tijdens de groei echter verliezen. Het voedsel bestaat uit kleine kreeftachtigen, maar ook vaak uit viseieren, die met de muil worden opgezogen. 127379Soortenalbum
Afgeknotte gaper
Mya truncata
Mya truncata

Mariene tweekleppige. Tot 7,5 cm. Vrij stevige, grote, aan één kant opvallend afgeknotte schelpen. Top ongeveer in het midden. Wit of geelwit, met een donkerbruine schilferige opperhuid die ook om de lange sifobuis zit. Geen sculptuur, alleen onregelmatige groeilijnen. In de linkerklep zit een dwarsstaand lepelvormig uitsteeksel. Schelpen regelmatig op het strand. Soms levende dieren, dan met lange sifobuis.

Afmetingen: 50 x 75 mm.
Schelpkleur:
Wit of geelwit. De opperhuid is donkerbruin en schilferig.
Schelpvorm:
Vrij Stevige, wat langwerpige schelp. Lijkt in vorm op M. arenaria, maar is aan één kant opvallend afgeknot. De top ligt ongeveer in het midden.
Sculptuur:
Glad, met alleen onregelmatige groeilijnen.
Slot:
In de linkerklep zit een groot, lepelvormig uitsteeksel. Zie bij de Strandgaper M. arenaria.
Binnenzijde schelp: De mantellijn vertoont een duidelijke bocht. Er zijn 2 bijna gelijke spierindruksels.

 Een boreale soort, voorkomend in het gehele Arctische Gebied en delen van de Oostzee. Naar het zuiden toe tot in de Golf van Biskaje. Ook in de westelijke Atlantische Oceaan en in de Grote Oceaan (tot Vancouver en Japan). Leeft verspreid in de Noordzee. Op het NCP het meest algemeen rondom de slibrijke Oestergronden, inclusief het Friese Front. Elders uit hetoffshore-gebied schaars, wel rond de Klaverbank regelmatig opgevist. Verder plaatselijk en in de onmiddelijke nabijheid van de kust. In Nederland in de diepere delen van de Waddenzee en mogelijk de Zeeuwse stromen. Op het strand: Levende dieren met siphobuis en doubletten, spoelen soms aan na storm, vorst en aflandige wind (Noord- en Zuidhollandse kust, Waddeneilanden). Losse kleppen zijn langs de hele kust te vinden. Jonge exemplaren worden soms aangetroffen in veen en hout.      De dieren leven tot 30 cm diep ingegraven in een slikkige zandbodem, op diepten tussen 2 en 20 meter (tot ca. 70 m). 140431Soortenalbum
Alikruik
Littorina littorea
Littorina littoreaMariene huisjesslak. Tot 4 cm, meestal ca. 2,5 cm. Stevige, samengedrukt kegelvormige horen met 6-7 bolle windingen en een spitse top. Bruingrijs met horizontale kleurbanden, mondopening wit. Vage, meestal ondiepe platte ribben en groeven. Geen navel. Operculum spits ovaal, hoornachtig bruin. Algemeen langs hele kust op hard substraat in het litoraal, het meest in slikgebieden.

Afmetingen: H. 4 cm, B. 3,5 cm. Meestal kleiner, ca. 2.5 cm.
Schelpkleur: Bruingrijs tot geelgrijs met donkere  en lichtere horizontale kleurbanden. Soms bruinrood of geel. Mondopening wit.
Schelpvorm: Stevige, dikschalige horen met 6-7 bolle windingen en een scherpe top. Mondopening eivormig. Hoornachtig operculum (sluitplaat). Geen navel.
Sculptuur: Vlakke spiraalribben en groeven.
Overig: Het dier is lichtgrijs en heeft gestreepte koptentakels. Dezesoort wordt ook door de mens gegeten.

 Arctisch Gebied, Witte Zee, Groenland, Groot-Brittannië en Noordzee, Atlantsiceh Oceaan tot Spanje. Ook aan de Amerikaanse oostkust van Labrador tot New Jersey. In Nederland algemeen in het Waddengebied en de Zeeuwse wateren. Schaarser, plaatselijk zelfs zelfs ontbrekend langs de Noordzeekust van Noord- en Zuid-Holland. Leeft vooral in het litoraal tussen de hoog- en laagwaterlijn op hard substraat in de getijdenzone, tot een diepte van enkele meters beneden de laagwaterlijn. Vooral op golfbrekers en dergelijke. Ook op zandige of slikbodems. De dieren zijn omnivoor en het voedsel bestaat uit wieren als Zeesla en darmwieren. Maar ook detritus, diatomeeën en larven van zeepokken worden gegeten. Soms massaal aanwezig in slikgebieden, waar ze bij afgaand water fourageren en later tijdens het droogvallen beschutting zoeken. Vastgehecht aan hard substraat kunnen ze, afgesloten met het operculum, droogvallen goed doorstaan.
De dieren zijn van gescheiden geslacht. Bevruchting inwendig door copulatie van mannelijke en vrouwelijke individuen, meestal ’s nachts bij hoogwater. Ei-afzetting kan het hele jaar door plaatsehebben, maar stopt gewoonlijk bij lage temperaturen in de winter. De eieren worden afgezet in stevige lensvormige capsules, met in een geleiachtige massa meestal 3-4 (maximaal 9) kleurloze eieren. De dieren zijn geslachtsrijp na 1-2 jaar. Leeftijd 5-10 jaar (in aquaria tot 20 jaar).
 140262Soortenalbum
Alver
Alburnus alburnus
Alburnus alburnusZoetwatervis. Ook in brak water. Tot 25 cm, meestal ca. 15 cm. Zijdelings afgeplatte kleine karperachtige. Zilverachtig, In zonlicht parelmoerachtig, met blauwgroene flanken en een smalle zijlijn. Kop puntig, de onderkaak steekt voor de bovenkaak uit. Tussen de buikvinnen en anaalvin zit een scherpe schubloze kiel.

Afmetingen: Vaak ca. 15 cm, maximaal 25 cm.
Kleur:
Zilverachtige rug en buik, flanken blauwgroen, met vaak een smalle, lichtgele, volledige zijlijn. Bij direct zonlicht vallen ook parelmoerachtige kleuren op, veroorzaakt door de grote hoeveelheid guaninekristallen in de schubben.
Vorm: Een zijdelings afgeplat, wat stug aandoende kleine karperachtige vis. De zijlijn is ononderbroken. De kop is puntig. De bek is bovenstandig: de onderkaak steekt voor de bovenkaak uit.
Vinnen: Lange anaalvin, de eerste straal begint onder de laatste rugvinstralen. Tussen de buikvinnen en anaalvin zit een scherpe schubloze kiel.

 West-Europa tot in de Wolga. Ook inheems in Ierland, Schotland en Scandinavië. Ook in de Oostzee. Vroeger  zeer algemeen in Europa, tegenwoordig steeds minder door de vervuiling van het leefmilieu. Ook de opkomst van de Roofblei lijkt nadelig voor de Alver, zowel veroorzaakt door juveniele Roofbleien (voedselcompetitie) als door volwassen exemplaren (directe predatie).Alvers leven aan het oppervlak van het zoete water en komen vaak in grote scholen voor. Vaak te vinden in bewogen water, bijvoorbeeld nabij gemalen, maar ook in stilstaand zoet water en brak water. De dieren eten plankton, insecten, insectelarven en wormen.
De Alver wordt vooral bejaagd door de Snoek, de Roofblei, de Snoekbaars en de Baars.
 154285Soortenalbum
Amerikaanse boormossel
Petricolaria pholadiformis
Petricolaria pholadiformisMariene tweekleppige. Tot 75 mm. Geelwit, oudere exemplaren vaak bruingeel. Vrij stevige langgerekte schelp. Bovenrand niet omgeslagen. Vanuit de top stralende ribben, gekruist door groeilijnen, ribben deels met schubvormige uitsteeksels. Leeft in zelfgeboorde gaten in veen, hout, klei. Spoelt aan langs hele kust. In Slikgebieden soms in klei.

Afmeting: 35 x 75 mm.
Schelpkleur:
Kalkwit of geelwit. Oudere exemplaren zijn vaak bruingeel verkleurd.
Schelpvorm:
Stevige, maar nogal dunschalige  langgerekte schelp. De bovenrand is niet omgeslagen. De top ligt ver buiten het midden, ongeveer op 4/5 van de achterrand.
Sculptuur:
Vanuit de top stralende ribben, gekruist door groeilijnen. De ribben in het gedeelte onder de top dragen duidelijke schubvormige uitsteeksels. Binnenzijde (mantellijn en spierindruksels): Mantellijn met een bocht.
Slot: Heterodont, met in de rechterklep 2 en in de linkerklep 3 cardinale tanden. Geen laterale tanden. Mantelbocht diep.

Dier: Voet kort. Sifonen los van elkaar, alleen aan de basis vergroeid, tot ca. 2 x de schelplengte. Aan de uiteinden tentakelkransjes. Lichaamskleur geelwit, sifonen crèmekleurig tot ivoorwit, aan de uiteinden donkere vlekken.

 Exoot. Oorspronkelijk langs de Amerikaanse oostkust,eind 19e eeuw geïntroduceerd langs de Britse zuidkust. Van daaruit werden de Europese en Afrikaanse kustwateren gekoloniseerd. Tegenwoordig van Zuid-Noorwegen tot Congo en in de Middellandse Zee. In Nederland overal waar veenbanken in de zeebodem blootgespoeld liggen. Verder in hout en zachte kalksteen, ‘los’ op mossel/oesterbanken en plaatselijk ingegraven in de klei- en slikbodem in de Waddenzee en Zeeland

In de Noordzee voornamelijk levend in zelf geboorde gaten in matig hard tot vrij hard substraat in de zeebodem (veen, hout en kalksteen), vanaf de getijdenzone tot een diepte van ca. 15 m. Ook plaatselijk in slikgebieden ingegraven levend in stevige klei en in mosselbanken. Bij het boren worden mechanische bewegingen met de schelpkleppen gemaakt. De dieren zijn van gescheiden geslacht en op z’n vroegst geslachtsrijp aan het eind van het derde levensjaar. Eitjes en zaadcellen worden vrij in het water geloosd tussen juli en september. Tot 10 jaar oud.

Op het strand: Algemeen levend en als doublet in aangespoeld veen en wrakhout. Ook los aangespoeld, vanwege de sterke slotband vaak nog als doublet.

 156961Soortenalbum
Amerikaanse buisjesspons
Chalinula loosanoffi
Chalinula loosanoffiMariene spons. Vormt plakkaten of korsten met kleine, grijsbruine of paarsachtige schoorsteenvormige buisjes. Deze zijn dunwandig, tot 2-3 cm hoog, met een doorsnede van 0,5 cm. De hele spons voelt zacht aan, maar het oppervlak is ruw. De spons is fragiel. Oosterschelde: zeldzaam, mogelijk inmiddels verdwenen.

Afmetingen: Plakkaten/korst dun, hoogstens enkele cm. Buisjes 2-3 cm hoog, met een doorsnede van 0,5 cm. De groepjes buisjes zijn 7-8 cm.
Kleur: Grijsbruin of paarsachtig.
Vorm: Platte plakkaten vormend, als dunne korst op substraat, met diverse kleine, dunwandige, meestal bruine, schoorsteenachtige buisjes. De hele spons voelt zacht aan, maar het oppervlak is niet glad, eerder ruw, pukkelig of harig. De buisjes zijn dunwandig, de hele spons is fragiel.
Spicula: Dubbelpuntige naalden, in Nederland rond de 80 um. De naalden hebben vaak onregelmatige bobbels.

Sedert 1975 bekend uit Nederland. Inmiddels mogelijk verdwenen.De Amerikaanse buisjesspons is uit Zeeland bekend vanaf 1887. Na de jaren negentig niet meer met zekerheid waargenomen. Bekend uit het sublitoraal van de Oosterschelde. Leeft op oesterbanken en harde, vaak door de mens gemaakte substraten. De soort sterft af in de winter, maar overwintert door Gemmulae (broedknoppen). Een gemmula ontwikkelt zich aan de binnenkant van de spons en bevat veel kraagcellen (choanocyten). het geheel is omgeven door skeletnaalden. Gemmulae kunnen tegen uitdroging en bevriezing. (Vooral zoetwatersponzen produceren gemmulae om uitdroging of de winter te overleven.) 132762Soortenalbum
Amerikaanse hoornschaal
Musculium transversum
Musculium transversumZoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 14 mm (meestal kleiner). Grijsbruin, crémegrijs. Dunschalig, langwerpig-rechthoekig schelpje. Top vóór het midden, iets boven de bovenzijde uitstekend. Slotband van buitenaf goed zichtbaar. De sculptuur bestaat uit fijne concentrische groeilijnen. Ingevoerd uit Amerika in met name Engeland, van daaruit naar elders in Europa. Toenemend in omringende landen. Zoet water, met name in kanalen, meren en rivieren. [Vroeger bekend onder de Nederlandse naam 'Late hoornschaal']

Afmetingen: H. tot 14, B tot 10 mm. Meestal kleiner.
Schelpkleur: Grijsbruin, crémegrijs.
Schelpvorm: Dunschalig, langwerpig-rechthoekig schelpje. Top voor het midden, iets boven de bovenzijde uitstekend. Slotband van buitenaf goed zichtbaar. De sculptuur bestaat uit fijne concentrische groeilijnen.

 In Nederland tot nu toe alleen bekend uit het IJsselmeer en de Drentse Aa. Het voedsel bestaat uit fijn detritus. In de ons omringende landen is de soort zich aan het uitbreiden.Leeft buiten Nederland vooral in kanalen en gekanaliseerde rivieren. 857210Soortenalbum
Amerikaanse oesterboorder
Urosalpinx cinerea
Urosalpinx cinerea

Mariene huisjesslak: Tot 40 mm. Grijswit tot bruin, soms donker gevlekt. Ribben soms lichter. Mondopening vaak paarsbruin. Stevige horen met 7-8 bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal. Sifokanaal gootvormig, niet gesloten. 10-12 golvende, naar onderen vervagende ribben, gekruist door 16-18 dunne spiraalribben. Litoraal en sublitoraal in oestergebied in Zeeland.

Afmetingen: H. tot 40 mm, B. tot 20 mm, meestal kleiner.
Schelpkleur: Grijswit tot donkergrijs, geelbruin, donkerbruin, soms met donkere vlekken; ribben vaak iets lichter. Kleine exemplaren tot 1 cm hoog vaak paarsachtig. Mondopening donkerder, tot paarsbruin, iets glanzend. Operculum hoornachtig, bruin.
Schelpvorm: Stevige horen met 7-8 bolle, onregelmatige windingen. Top vrij spits, mondopening ovaal, met een gootvormig, niet gesloten sifokanaal. Mondrand iets verdikt, met tot 6 bredere ribbels.
Sculptuur: Oppervlak ruw, met op de laatste winding 10-12 golvende ribben die naar de onderkant vervagen. Daarnaast hier en daar sterke groeilijnen en 16-18 dunne maar duidelijke spiraalribben. Mondopening ovaal, bovenaan iets toegespitst.
Dier: Crèmekleurig tot lichtoranje met donkerdere vlekken op mantelranden en tentakels. Koptentakels plat, aan de uiteinden slank. Ogen op een derde van de kop op het bredere deel van de tentakels. Mantelrand met aan de linkerkant een korte sifo. Voet vooraan afgerond en iets verdikt, met een inkeping voor het boororgaan.

Sinds 2009 gevonden in en bij de oude oesterputtenbij Gorishoek in de Oosterschelde. Er zijn nog geen aanwijzingen dat deze soort hier sterk toeneemt en/of het areaal uitbreidt. Dit zal vooral te maken hebben met de geringe dispersiecapaciteit.

 

Exoot, afkomstig van de oostkust van Amerika, tussen Prince Edward Island en Florida. Met de oestercultuur wijder verspreid en nu tevens voorkomend tussen British Columbia en San Francisco. In 1927 voor het eerst aangetroffen in Groot-Brittannië op oesterpercelen van Essex en Kent, geïmporteerd met de Amerikaanse oestersoort Crassostrea virginica. In Nederland voor het eerst gevonden in de Oosterschelde bij Gorishoek. De natuurlijke verspreiding is traag, doordat volwassen slakken slechts geringe afstanden afleggen en tevens doordat verplaatsing over zachtebodems voor deze soort problematisch is.Vaak op en rond op oesterbedden, op hard substraat. Vanaf iets boven de laagwaterlijn tot een diepte van ca. 40 m. De soort leeft van oesterbroed, met afmetingen tot ca. 20 mm en van zeepokken, Muiltjes en andere mollusken en zijn in staat om gaten in de schelpen te borenop vergelijkbare wijze als de Purperslak.
De dieren zijn van gescheiden geslacht. Vrouwtjes groeien sneller en worden groter. Voortplanting begint bij watertemperaturen boven 12° Celsius in mei-juni. De wijfjes produceren tot 40 vaasvormige eikapsels die in de getijdenzone op een vaste ondergrond worden bevestigd. Eieren komen uit na ca. 8 weken. Geen pelagisch veligerlarvenstadium. Wanneerde watertemperatuur onder de 5º Celsius zakt gaat het dier in de modder in winterslaap. Leeftijd: tot 13-14 jaar.
 140429Soortenalbum
Amerikaanse ribkwal
Mnemiopsis leidyi
Mnemiopsis leidyiRibkwal. Mariene soort, ook in brak water. 15-18 cm. Grote transparante dieren. Ovaal of vanaf de zijkant bezien klokvormig. Acht ribben, vier korte en vier lange, met daarop aaneengeschakelde zwemplaatjes. Mond omgeven door twee lange afgeronde lobben. De rand van de holte onder de lobben reikt ongeveer tot aan het evenwichtsorgaantje. Twee kleine tentakels met franjes. Lijkt op de zeldzame noordelijke kortlob-ribkwal Bolinopsis infundibulum.

Afmetingen: Bereikt doorgaans een lengte tot 15 cm, maar er zijn ook exemplaren waargenomen tot 18 centimeter.
Kleur: De dieren zijn transparant. Bij aanraking zijn de ribben sterk fosforescerend en kunnen ze een groene gloed geven. Wanneer ze beschenen worden door een duiklamp tonen de zwemplaatjes mooie regenboogachtige kleuren.
Vorm: Een grote transparante ribkwal met twee bewegelijke lepel-vormige lobben aan weerzijden van het lichaam. Als de dieren de lobben sluiten en tegen het lichaam aandrukken zijn ze min of meer ovaal, als ze de lobben naar buiten toe bewegen zijn ze vanaf de zijkant bezien klokvormig. Er zijn acht rijen met een aaneenschakeling van zwemplaatjes, de zogenaamde ribben: vier korte en vier lange. Tussen de lobben door lopen aan weerszijden tweede korte ribben. In het bovenste deel van het lichaam boven de centrale holte ligt een evenwichtsorgaantje, de zogenaamde statocyst. Dit orgaantje is tijdens het duiken niet gemakkelijk te zien, maar is op foto’s wel vaak zichtbaar. Het dier heeft twee tentakels die aan één kant franje hebben.
Overig: De Amerikaanse ribkwal is een schadelijke invasieve soort die van oorsprong niet in onze wateren voor kwam.

 De Amerikaanse ribkwal is een exoot en komt oorspronkelijkede uit estuariene gebieden aan de Atlantische kusten van Noord- en Zuid-Amerika. De soort werd na de introductie in de Zwarte Zee in 1982 waargnomen in de Zee van Azov, de Zee van Marmara, de Egeïsche Zee en in een deel van de oostelijke Middellandse Zee. In 1997 kwam de soort ook massaal voor in de Kaspische Zee. In 2005 werd de Amerikaanse ribkwal in het Grevelingenmeer aangetroffen. Daarna volgde waarnemingen in Oosterschelde en Westerschelde in Zeeland, Waddenzee en Noordzee. Inmiddels is het in het brakke Noordzeekanaal een algemene soort, die zelfs tot in de Amsterdamse grachten is doorgedrongen.

De dieren leven vrij in de waterkolom. Ze bewegen zich sierlijk voort door de zwemplaatjes in een golfpatroon naar beneden te slaan. De soort is niet kritisch qua zoutgehalte, temperatuur en waterkwaliteit en komt voor in een breed scala van kust-habitats. De dieren kunnen zich vooral massaal ontwikkelen in gebieden met brakke wateren en een hoog niveau aan plankton. De Amerikaanse langlob-ribkwal is hermafrodiet en doet ook aan zelfbevruchting. Dat betekent dat in theorie één individu zich kan ontwikkelen tot een volledig nieuwe populatie. Eieren en sperma worden vrij in het water geloosd en bevruchting vindt plaats in het zeewater.

Schadelijk: Doordat de dieren snel vruchtbaar zijn en enorme hoeveelheden voortplantingcellen kunnen lozen, zijn ze in staat zich razendsnel voort te planten. Het zijn zeer effectieve planktoneters, in staat grote hoeveelheden plankton, larven, viseieren en sperma te verorberen en per dag tien keer het eigen lichaamsgewicht weg te vangen. Hele ecosystemen kunnen daardoor ernstig worden verstoord. Op diverse plaatsen in de wereld heeft de komst van Amerikaanse ribkwal grote nadelige gevolgen gehad voor de visstand en de visserij. Gezien de dramatische gevolgen van de introductie van de Amerikaanse ribkwal voor het ecosysteem en de visserij in de Zwarte en Kaspische Zee is het gewenst in Nederland de effecten van het voorkomen van deze ribkwal te volgen. De Waddenzee, de Zeeuwse zeearmen en de nabije kustzone zijn zeer belangrijke kraamkamers voor schol en tong, vissoorten die voor de Nederlandse visserij van levensbelang zijn. Deze wateren zijn voor een groot deel ook belangrijke en kwetsbare natuurgebieden. Tot nu toe zijn geen ingrijpende gevolgen waargenomen.
In tegenstelling tot de Amerikaanse ribkwal is de van oorsprong in de Noordelijk Noordzee voorkomende Kortlob-ribkwal Bolinopsis infundibulum zeer onschuldig. Dit dier vangt geen grote hoeveelheden plankton weg.

Vanaf het voorjaar tot laat in de zomer kan de Amerikaanse ribkwal in grote aantallen voorkomen.106401Soortenalbum
Amerikaanse schijfhoren
Gyraulus parvus
Gyraulus parvusZoetwaterslak. Exoot / ingevoerde soort. Tot 3,8 mm. Hoornkleurig, geelbruin. Klein, schijfvormig huisje. Dunschalig met 4-5 matig bolle windingen. Mondopening iets omgebogen. Sculptuur van onregelmatige spiraallijntjes en groeilijnen. In sloten en andere wateren met onderwatervegetatie. Nog slechts een paar keer gevonden. Mogelijk uitbreidend.

Afmetingen: H 1,3; B3,8 mm.
Schelpkleur: Hoornkleurig, geelbruin. Glanzend.
Schelpvorm: Klein, schijfvormig huisje. Dunschalig met 4-5 matig bolle windingen. Mondopening iets naar voren gebogen. Navel zeer wijd. De sculptuur bestaat uit fijne onregelmatige spiraallijntjes en groeilijnen.

 Ingevoerde soort (Noord-Amerika). In Nederland (nog) schaars, maar breidt zich vermoedelijk, net als in omringende landen, uit.
ANEMOON verspreidingsatlas weekdieren: Amerikaanse schijfhoren
Leeft in zoet water.  Bij Afferden gevonden in een schone sloot met diverse waterplanten. 593136Soortenalbum