Soorteninformatie
 
Zoeken
 
 
Zoeken


Gebied
Biotoop
Project

 
   
 
Groepen
 
 
Sponzen
Neteldieren
Ribkwallen
Ringwormen
Borstelwormen
Hoefijzerwormen
Snoerwormen
Kelkwormen
Platwormen
Weekdieren
Zeespinnen
Kreeftachtigen
Mosdiertjes
Stekelhuidigen
Zakpijpen
Vissen
Reptielen
Zoogdieren
Vaatplanten
Roodwieren
Groenwieren
Bruinwieren
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 580 items in 29 pages
ZoekbeeldKenmerken
 
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 580 items in 29 pages
Adderzeenaald
Entelurus aequoreus


Lees verder...
Adderzeenaald
Entelurus aequoreus
Zeevis, Tot 40 cm. Langgerekte vis met een beenplaten huid. Lichtbruin tot geelbruin, soms olijfgroen. Karakteristiek zijn de op flanken opvallende lichtblauw iriserende lichaamsringen. Snuit met een rode lengtestreep, buisvormig en langer dan de halve koplengte. De staart wordt net als bij zeepaardjes vaak gebruikt om zich mee vast te houden. Geen borstvinnen en anaalvin, achteraan een onduidelijke rugvin, staartvin zeer klein. Schaars tot zeldzaam tussen wier.

Lees verder...
Entelurus aequoreusZeevis, Tot 40 cm. Langgerekte vis met een beenplaten huid. Lichtbruin tot geelbruin, soms olijfgroen. Karakteristiek zijn de op flanken opvallende lichtblauw iriserende lichaamsringen. Snuit met een rode lengtestreep, buisvormig en langer dan de halve koplengte. De staart wordt net als bij zeepaardjes vaak gebruikt om zich mee vast te houden. Geen borstvinnen en anaalvin, achteraan een onduidelijke rugvin, staartvin zeer klein. Schaars tot zeldzaam tussen wier.

Afmetingen: Lengte 40 (tot 65) cm.
Kleur: Licht geelbruin tot olijfgroen met blauw iriserende dwarsstreepjes op de flanken en een rode lengtestreep op de snuit.
Vorm: De snuit is buisvormig en langer dan de halve koplengte. De staart wordt net als bij zeepaardjes vaak in gebruik om zich mee vast te houden.
Vinnen: Geen borstvinnen en anaalvin, achteraan een onduidelijke rugvin. De staart heeft alleen een klein vinnetje met slechts enkele (4-6) vinstralen.
Status: bedreigd (rode lijst

 

 Noordoost-Atlantische Oceaan, IJsland, Noorwegen, Scandinavië, Oostzee, Noordzee. Atlantische kust tot Portugal, maar ook bekend van de Azoren. In Nederland in lage aantallen in de kustzone. Regelmatig waargenomen, maar schaars tot zeldzaam. De soort staat als bedreigd op de Rode Lijst.

Waarnemingen adderzeenaald:
- Waarneming.nl volg: Adderzeenaald.
- Telmee.nl volg: Adderzeenaald.
Adderzeenaalden leven vaak tussen bruinwieren en in zeegrasvelden, maar kunnen ook op volle zee worden aangetroffen. Op diepten tussen ca 5 en 100 m. Paaitijd in juni-juli. De tot 1000 eieren worden door het vrouwtje in de buidel van het mannetje gedeponeerd, waar ze uitkomen en waar de embryos nog enige tijd in verblijven. De jonge dieren hebben nog enige tijd borstvinnen, die ze tijdens de groei echter verliezen. Het voedsel bestaat uit kleine kreeftachtigen, maar ook vaak uit viseieren, die met de muil worden opgezogen. 127379SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Afgeknotte gaper
Mya truncata


Lees verder...
Afgeknotte gaper
Mya truncata
<p>Mariene tweekleppige. Tot 7,5 cm. Vrij stevige, grote, aan &eacute;&eacute;n kant opvallend afgeknotte schelpen. Top ongeveer in het midden. Wit of geelwit, met een donkerbruine schilferige opperhuid die ook om de lange sifobuis zit. Geen sculptuur, alleen onregelmatige groeilijnen. In de linkerklep zit een dwarsstaand lepelvormig uitsteeksel. Schelpen regelmatig op het strand. Soms levende dieren, dan met lange sifobuis.</p>

Lees verder...
Mya truncata

Mariene tweekleppige. Tot 7,5 cm. Vrij stevige, grote, aan één kant opvallend afgeknotte schelpen. Top ongeveer in het midden. Wit of geelwit, met een donkerbruine schilferige opperhuid die ook om de lange sifobuis zit. Geen sculptuur, alleen onregelmatige groeilijnen. In de linkerklep zit een dwarsstaand lepelvormig uitsteeksel. Schelpen regelmatig op het strand. Soms levende dieren, dan met lange sifobuis.

Afmetingen: 50 x 75 mm.
Schelpkleur:
Wit of geelwit. De opperhuid is donkerbruin en schilferig.
Schelpvorm:
Vrij Stevige, wat langwerpige schelp. Lijkt in vorm op M. arenaria, maar is aan één kant opvallend afgeknot. De top ligt ongeveer in het midden.
Sculptuur:
Glad, met alleen onregelmatige groeilijnen.
Slot:
In de linkerklep zit een groot, lepelvormig uitsteeksel. Zie bij de Strandgaper M. arenaria.
Binnenzijde schelp: De mantellijn vertoont een duidelijke bocht. Er zijn 2 bijna gelijke spierindruksels.

 Een boreale soort, voorkomend in het gehele Arctische Gebied en delen van de Oostzee. Naar het zuiden toe tot in de Golf van Biskaje. Ook in de westelijke Atlantische Oceaan en in de Grote Oceaan (tot Vancouver en Japan). Leeft verspreid in de Noordzee. Op het NCP het meest algemeen rondom de slibrijke Oestergronden, inclusief het Friese Front. Elders uit hetoffshore-gebied schaars, wel rond de Klaverbank regelmatig opgevist. Verder plaatselijk en in de onmiddelijke nabijheid van de kust. In Nederland in de diepere delen van de Waddenzee en mogelijk de Zeeuwse stromen. Op het strand: Levende dieren met siphobuis en doubletten, spoelen soms aan na storm, vorst en aflandige wind (Noord- en Zuidhollandse kust, Waddeneilanden). Losse kleppen zijn langs de hele kust te vinden. Jonge exemplaren worden soms aangetroffen in veen en hout.      De dieren leven tot 30 cm diep ingegraven in een slikkige zandbodem, op diepten tussen 2 en 20 meter (tot ca. 70 m). 140431SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP
Alikruik
Littorina littorea


Lees verder...
Alikruik
Littorina littorea
Mariene huisjesslak. Tot 4 cm, meestal ca. 2,5 cm. Stevige, samengedrukt kegelvormige horen met 6-7 bolle windingen en een spitse top. Bruingrijs met horizontale kleurbanden, mondopening wit. Vage, meestal ondiepe platte ribben en groeven. Geen navel. Operculum spits ovaal, hoornachtig bruin. Algemeen langs hele kust op hard substraat in het litoraal, het meest in slikgebieden.

Lees verder...
Littorina littoreaMariene huisjesslak. Tot 4 cm, meestal ca. 2,5 cm. Stevige, samengedrukt kegelvormige horen met 6-7 bolle windingen en een spitse top. Bruingrijs met horizontale kleurbanden, mondopening wit. Vage, meestal ondiepe platte ribben en groeven. Geen navel. Operculum spits ovaal, hoornachtig bruin. Algemeen langs hele kust op hard substraat in het litoraal, het meest in slikgebieden.

Afmetingen: H. 4 cm, B. 3,5 cm. Meestal kleiner, ca. 2.5 cm.
Schelpkleur: Bruingrijs tot geelgrijs met donkere  en lichtere horizontale kleurbanden. Soms bruinrood of geel. Mondopening wit.
Schelpvorm: Stevige, dikschalige horen met 6-7 bolle windingen en een scherpe top. Mondopening eivormig. Hoornachtig operculum (sluitplaat). Geen navel.
Sculptuur: Vlakke spiraalribben en groeven.
Overig: Het dier is lichtgrijs en heeft gestreepte koptentakels. Dezesoort wordt ook door de mens gegeten.

 Arctisch Gebied, Witte Zee, Gosenland, Groot-Brittannië en Noordzee, Atlantische Oceaan tot Spanje. Ook aan de Amerikaanse oostkust van Labrador tot New Jersey. In Nederland algemeen in het Waddengebied en de Zeeuwse wateren. Schaarser, plaatselijk zelfs zelfs ontbrekend langs de Noordzeekust van Noord- en Zuid-Holland. Leeft vooral in het litoraal tussen de hoog- en laagwaterlijn op hard substraat in de getijdenzone, tot een diepte van enkele meters beneden de laagwaterlijn. Vooral op golfbrekers en dergelijke. Ook op zandige of slikbodems. De dieren zijn omnivoor en het voedsel bestaat uit wieren als Zeesla en darmwieren. Maar ook detritus, diatomeeën en larven van zeepokken worden gegeten. Soms massaal aanwezig in slikgebieden, waar ze bij afgaand water fourageren en later tijdens het droogvallen beschutting zoeken. Vastgehecht aan hard substraat kunnen ze, afgesloten met het operculum, droogvallen goed doorstaan.
De dieren zijn van gescheiden geslacht. Bevruchting inwendig door copulatie van mannelijke en vrouwelijke individuen, meestal ’s nachts bij hoogwater. Ei-afzetting kan het hele jaar door plaatsehebben, maar stopt gewoonlijk bij lage temperaturen in de winter. De eieren worden afgezet in stevige lensvormige capsules, met in een geleiachtige massa meestal 3-4 (maximaal 9) kleurloze eieren. De dieren zijn geslachtsrijp na 1-2 jaar. Leeftijd 5-10 jaar (in aquaria tot 20 jaar).
 140262SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|SMP|ANM
Alver
Alburnus alburnus


Lees verder...
Alver
Alburnus alburnus
Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 25 cm, meestal ca. 15 cm. Zijdelings afgeplatte kleine karperachtige. Zilverachtig, In zonlicht parelmoerachtig, met blauwgroene flanken en een smalle zijlijn. Kop puntig, de onderkaak steekt voor de bovenkaak uit. Tussen de buikvinnen en anaalvin zit een scherpe schubloze kiel.

Lees verder...
Alburnus alburnusZoetwatervis. Ook in brak water. Tot 25 cm, meestal ca. 15 cm. Zijdelings afgeplatte kleine karperachtige. Zilverachtig, In zonlicht parelmoerachtig, met blauwgroene flanken en een smalle zijlijn. Kop puntig, de onderkaak steekt voor de bovenkaak uit. Tussen de buikvinnen en anaalvin zit een scherpe schubloze kiel.

Afmetingen: Vaak ca. 15 cm, maximaal 25 cm.
Kleur:
Zilverachtige rug en buik, flanken blauwgroen, met vaak een smalle, lichtgele, volledige zijlijn. Bij direct zonlicht vallen ook parelmoerachtige kleuren op, veroorzaakt door de grote hoeveelheid guaninekristallen in de schubben.
Vorm: Een zijdelings afgeplat, wat stug aandoende kleine karperachtige vis. De zijlijn is ononderbroken. De kop is puntig. De bek is bovenstandig: de onderkaak steekt voor de bovenkaak uit.
Vinnen: Lange anaalvin, de eerste straal begint onder de laatste rugvinstralen. Tussen de buikvinnen en anaalvin zit een scherpe schubloze kiel.

 West-Europa tot in de Wolga. Ook inheems in Ierland, Schotland en Scandinavië. Ook in de Oostzee. Vroeger  zeer algemeen in Europa, tegenwoordig steeds minder door de vervuiling van het leefmilieu. Ook de opkomst van de Roofblei lijkt nadelig voor de Alver, zowel veroorzaakt door juveniele Roofbleien (voedselcompetitie) als door volwassen exemplaren (directe predatie).Alvers leven aan het oppervlak van het zoete water en komen vaak in grote scholen voor. Vaak te vinden in bewogen water, bijvoorbeeld nabij gemalen, maar ook in stilstaand zoet water en brak water. De dieren eten plankton, insecten, insectelarven en wormen.
De Alver wordt vooral bejaagd door de Snoek, de Roofblei, de Snoekbaars en de Baars.
 154285SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Amerikaanse boormossel
Petricolaria pholadiformis


Lees verder...
Amerikaanse boormossel
Petricolaria pholadiformis
Mariene tweekleppige. Tot 75 mm. Geelwit, oudere exemplaren vaak bruingeel. Vrij stevige langgerekte schelp. Bovenrand niet omgeslagen<strong>. </strong>Vanuit de top stralende ribben, gekruist door groeilijnen, ribben deels met schubvormige uitsteeksels. Leeft in zelfgeboorde gaten in veen, hout, klei. Spoelt aan langs hele kust. In Slikgebieden soms in klei.

Lees verder...
Petricolaria pholadiformisMariene tweekleppige. Tot 75 mm. Geelwit, oudere exemplaren vaak bruingeel. Vrij stevige langgerekte schelp. Bovenrand niet omgeslagen. Vanuit de top stralende ribben, gekruist door groeilijnen, ribben deels met schubvormige uitsteeksels. Leeft in zelfgeboorde gaten in veen, hout, klei. Spoelt aan langs hele kust. In Slikgebieden soms in klei.

Afmeting: 35 x 75 mm.
Schelpkleur:
Kalkwit of geelwit. Oudere exemplaren zijn vaak bruingeel verkleurd.
Schelpvorm:
Stevige, maar nogal dunschalige  langgerekte schelp. De bovenrand is niet omgeslagen. De top ligt ver buiten het midden, ongeveer op 4/5 van de achterrand.
Sculptuur:
Vanuit de top stralende ribben, gekruist door groeilijnen. De ribben in het gedeelte onder de top dragen duidelijke schubvormige uitsteeksels. Binnenzijde (mantellijn en spierindruksels): Mantellijn met een bocht.
Slot: Heterodont, met in de rechterklep 2 en in de linkerklep 3 cardinale tanden. Geen laterale tanden. Mantelbocht diep.

Dier: Voet kort. Sifonen los van elkaar, alleen aan de basis vergroeid, tot ca. 2 x de schelplengte. Aan de uiteinden tentakelkransjes. Lichaamskleur geelwit, sifonen crèmekleurig tot ivoorwit, aan de uiteinden donkere vlekken.

 Exoot. Oorspronkelijk langs de Amerikaanse oostkust,eind 19e eeuw geïntroduceerd langs de Britse zuidkust. Van daaruit werden de Europese en Afrikaanse kustwateren gekoloniseerd. Tegenwoordig van Zuid-Noorwegen tot Congo en in de Middellandse Zee. In Nederland overal waar veenbanken in de zeebodem blootgespoeld liggen. Verder in hout en zachte kalksteen, ‘los’ op mossel/oesterbanken en plaatselijk ingegraven in de klei- en slikbodem in de Waddenzee en Zeeland

In de Noordzee voornamelijk levend in zelf geboorde gaten in matig hard tot vrij hard substraat in de zeebodem (veen, hout en kalksteen), vanaf de getijdenzone tot een diepte van ca. 15 m. Ook plaatselijk in slikgebieden ingegraven levend in stevige klei en in mosselbanken. Bij het boren worden mechanische bewegingen met de schelpkleppen gemaakt. De dieren zijn van gescheiden geslacht en op z’n vroegst geslachtsrijp aan het eind van het derde levensjaar. Eitjes en zaadcellen worden vrij in het water geloosd tussen juli en september. Tot 10 jaar oud.

Op het strand: Algemeen levend en als doublet in aangespoeld veen en wrakhout. Ook los aangespoeld, vanwege de sterke slotband vaak nog als doublet.

 156961SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM|Exoten
Amerikaanse buisjesspons
Chalinula loosanoffi


Lees verder...
Amerikaanse buisjesspons
Chalinula loosanoffi
Mariene spons. Vormt plakkaten of korsten met kleine, grijsbruine of paarsachtige schoorsteenvormige buisjes. Deze zijn&nbsp;dunwandig, tot 2-3 cm hoog, met een doorsnede van 0,5 cm. De hele spons voelt zacht aan, maar het oppervlak is ruw. De spons is fragiel. Oosterschelde: zeldzaam, mogelijk inmiddels verdwenen.

Lees verder...
Chalinula loosanoffiMariene spons. Vormt plakkaten of korsten met kleine, grijsbruine of paarsachtige schoorsteenvormige buisjes. Deze zijn dunwandig, tot 2-3 cm hoog, met een doorsnede van 0,5 cm. De hele spons voelt zacht aan, maar het oppervlak is ruw. De spons is fragiel. Oosterschelde: zeldzaam, mogelijk inmiddels verdwenen.

Afmetingen: Plakkaten/korst dun, hoogstens enkele cm. Buisjes 2-3 cm hoog, met een doorsnede van 0,5 cm. De groepjes buisjes zijn 7-8 cm.
Kleur: Grijsbruin of paarsachtig.
Vorm: Platte plakkaten vormend, als dunne korst op substraat, met diverse kleine, dunwandige, meestal bruine, schoorsteenachtige buisjes. De hele spons voelt zacht aan, maar het oppervlak is niet glad, eerder ruw, pukkelig of harig. De buisjes zijn dunwandig, de hele spons is fragiel.
Spicula: Dubbelpuntige naalden, in Nederland rond de 80 um. De naalden hebben vaak onregelmatige bobbels.

Sedert 1975 bekend uit Nederland. Inmiddels mogelijk verdwenen.De Amerikaanse buisjesspons is uit Zeeland bekend vanaf 1887. Na de jaren negentig niet meer met zekerheid waargenomen. Bekend uit het sublitoraal van de Oosterschelde. Leeft op oesterbanken en harde, vaak door de mens gemaakte substraten. De soort sterft af in de winter, maar overwintert door Gemmulae (broedknoppen). Een gemmula ontwikkelt zich aan de binnenkant van de spons en bevat veel kraagcellen (choanocyten). het geheel is omgeven door skeletnaalden. Gemmulae kunnen tegen uitdroging en bevriezing. (Vooral zoetwatersponzen produceren gemmulae om uitdroging of de winter te overleven.) 132762SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Amerikaanse hoornschaal
Musculium transversum


Lees verder...
Amerikaanse hoornschaal
Musculium transversum
Zoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 14 mm (meestal kleiner). Grijsbruin, cr&eacute;megrijs. Dunschalig, langwerpig-rechthoekig schelpje. Top v&oacute;&oacute;r het midden, iets boven de bovenzijde uitstekend. Slotband van buitenaf goed zichtbaar. De sculptuur bestaat uit fijne concentrische groeilijnen. Ingevoerd uit Amerika in met name Engeland, van daaruit naar elders in Europa. Toenemend in omringende landen. Zoet water, met name in kanalen, meren en rivieren. [Vroeger bekend onder de Nederlandse naam 'Late hoornschaal']

Lees verder...
Musculium transversumZoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 14 mm (meestal kleiner). Grijsbruin, crémegrijs. Dunschalig, langwerpig-rechthoekig schelpje. Top vóór het midden, iets boven de bovenzijde uitstekend. Slotband van buitenaf goed zichtbaar. De sculptuur bestaat uit fijne concentrische groeilijnen. Ingevoerd uit Amerika in met name Engeland, van daaruit naar elders in Europa. Toenemend in omringende landen. Zoet water, met name in kanalen, meren en rivieren. [Vroeger bekend onder de Nederlandse naam 'Late hoornschaal']

Afmetingen: H. tot 14, B tot 10 mm. Meestal kleiner.
Schelpkleur: Grijsbruin, crémegrijs.
Schelpvorm: Dunschalig, langwerpig-rechthoekig schelpje. Top voor het midden, iets boven de bovenzijde uitstekend. Slotband van buitenaf goed zichtbaar. De sculptuur bestaat uit fijne concentrische groeilijnen.

 In Nederland tot nu toe alleen bekend uit het IJsselmeer en de Drentse Aa. Het voedsel bestaat uit fijn detritus. In de ons omringende landen is de soort zich aan het uitbreiden.Leeft buiten Nederland vooral in kanalen en gekanaliseerde rivieren. 857210SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO|Exoten
Amerikaanse oesterboorder
Urosalpinx cinerea


Lees verder...
Amerikaanse oesterboorder
Urosalpinx cinerea
<p>Mariene huisjesslak: Tot 40 mm. Grijswit tot bruin, soms donker gevlekt. Ribben soms lichter. Mondopening vaak paarsbruin. Stevige horen met 7-8 bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal. Sifokanaal gootvormig, niet gesloten. 10-12 golvende,&nbsp;naar onderen vervagende ribben, gekruist door 16-18 dunne spiraalribben. Litoraal en sublitoraal in oestergebied in Zeeland.</p>

Lees verder...
Urosalpinx cinerea

Mariene huisjesslak: Tot 40 mm. Grijswit tot bruin, soms donker gevlekt. Ribben soms lichter. Mondopening vaak paarsbruin. Stevige horen met 7-8 bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal. Sifokanaal gootvormig, niet gesloten. 10-12 golvende, naar onderen vervagende ribben, gekruist door 16-18 dunne spiraalribben. Litoraal en sublitoraal in oestergebied in Zeeland.

Afmetingen: H. tot 40 mm, B. tot 20 mm, meestal kleiner.
Schelpkleur: Grijswit tot donkergrijs, geelbruin, donkerbruin, soms met donkere vlekken; ribben vaak iets lichter. Kleine exemplaren tot 1 cm hoog vaak paarsachtig. Mondopening donkerder, tot paarsbruin, iets glanzend. Operculum hoornachtig, bruin.
Schelpvorm: Stevige horen met 7-8 bolle, onregelmatige windingen. Top vrij spits, mondopening ovaal, met een gootvormig, niet gesloten sifokanaal. Mondrand iets verdikt, met tot 6 bredere ribbels.
Sculptuur: Oppervlak ruw, met op de laatste winding 10-12 golvende ribben die naar de onderkant vervagen. Daarnaast hier en daar sterke groeilijnen en 16-18 dunne maar duidelijke spiraalribben. Mondopening ovaal, bovenaan iets toegespitst.
Dier: Crèmekleurig tot lichtoranje met donkerdere vlekken op mantelranden en tentakels. Koptentakels plat, aan de uiteinden slank. Ogen op een derde van de kop op het bredere deel van de tentakels. Mantelrand met aan de linkerkant een korte sifo. Voet vooraan afgerond en iets verdikt, met een inkeping voor het boororgaan.

Sinds 2009 gevonden in en bij de oude oesterputtenbij Gorishoek in de Oosterschelde. Er zijn nog geen aanwijzingen dat deze soort hier sterk toeneemt en/of het areaal uitbreidt. Dit zal vooral te maken hebben met de geringe dispersiecapaciteit.

 

Exoot, afkomstig van de oostkust van Amerika, tussen Prince Edward Island en Florida. Met de oestercultuur wijder verspreid en nu tevens voorkomend tussen British Columbia en San Francisco. In 1927 voor het eerst aangetroffen in Groot-Brittannië op oesterpercelen van Essex en Kent, geïmporteerd met de Amerikaanse oestersoort Crassostrea virginica. In Nederland voor het eerst gevonden in de Oosterschelde bij Gorishoek. De natuurlijke verspreiding is traag, doordat volwassen slakken slechts geringe afstanden afleggen en tevens doordat verplaatsing over zachtebodems voor deze soort problematisch is.Vaak op en rond op oesterbedden, op hard substraat. Vanaf iets boven de laagwaterlijn tot een diepte van ca. 40 m. De soort leeft van oesterbroed, met afmetingen tot ca. 20 mm en van zeepokken, Muiltjes en andere mollusken en zijn in staat om gaten in de schelpen te borenop vergelijkbare wijze als de Purperslak.
De dieren zijn van gescheiden geslacht. Vrouwtjes groeien sneller en worden groter. Voortplanting begint bij watertemperaturen boven 12° Celsius in mei-juni. De wijfjes produceren tot 40 vaasvormige eikapsels die in de getijdenzone op een vaste ondergrond worden bevestigd. Eieren komen uit na ca. 8 weken. Geen pelagisch veligerlarvenstadium. Wanneerde watertemperatuur onder de 5º Celsius zakt gaat het dier in de modder in winterslaap. Leeftijd: tot 13-14 jaar.
 140429SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|Exoten
Amerikaanse ribkwal
Mnemiopsis leidyi


Lees verder...
Amerikaanse ribkwal
Mnemiopsis leidyi
Ribkwal. Mariene soort, ook in brak water. 15-18 cm. Grote transparante dieren. Ovaal of vanaf de zijkant bezien klokvormig. Acht ribben, vier korte en vier lange, met daarop aaneengeschakelde zwemplaatjes. Mond omgeven door twee lange afgeronde lobben. De rand van de holte onder de lobben reikt ongeveer tot aan het evenwichtsorgaantje. Twee kleine tentakels met franjes. Lijkt op de zeldzame noordelijke kortlob-ribkwal&nbsp;Bolinopsis infundibulum.

Lees verder...
Mnemiopsis leidyiRibkwal. Mariene soort, ook in brak water. 15-18 cm. Grote transparante dieren. Ovaal of vanaf de zijkant bezien klokvormig. Acht ribben, vier korte en vier lange, met daarop aaneengeschakelde zwemplaatjes. Mond omgeven door twee lange afgeronde lobben. De rand van de holte onder de lobben reikt ongeveer tot aan het evenwichtsorgaantje. Twee kleine tentakels met franjes. Lijkt op de zeldzame noordelijke kortlob-ribkwal Bolinopsis infundibulum.

Afmetingen: Bereikt doorgaans een lengte tot 15 cm, maar er zijn ook exemplaren waargenomen tot 18 centimeter.
Kleur: De dieren zijn transparant. Bij aanraking zijn de ribben sterk fosforescerend en kunnen ze een groene gloed geven. Wanneer ze beschenen worden door een duiklamp tonen de zwemplaatjes mooie regenboogachtige kleuren.
Vorm: Een grote transparante ribkwal met twee bewegelijke lepel-vormige lobben aan weerzijden van het lichaam. Als de dieren de lobben sluiten en tegen het lichaam aandrukken zijn ze min of meer ovaal, als ze de lobben naar buiten toe bewegen zijn ze vanaf de zijkant bezien klokvormig. Er zijn acht rijen met een aaneenschakeling van zwemplaatjes, de zogenaamde ribben: vier korte en vier lange. Tussen de lobben door lopen aan weerszijden tweede korte ribben. In het bovenste deel van het lichaam boven de centrale holte ligt een evenwichtsorgaantje, de zogenaamde statocyst. Dit orgaantje is tijdens het duiken niet gemakkelijk te zien, maar is op foto’s wel vaak zichtbaar. Het dier heeft twee tentakels die aan één kant franje hebben.
Overig: De Amerikaanse ribkwal is een schadelijke invasieve soort die van oorsprong niet in onze wateren voor kwam.

 De Amerikaanse ribkwal is een exoot en komt oorspronkelijkede uit estuariene gebieden aan de Atlantische kusten van Noord- en Zuid-Amerika. De soort werd na de introductie in de Zwarte Zee in 1982 waargnomen in de Zee van Azov, de Zee van Marmara, de Egeïsche Zee en in een deel van de oostelijke Middellandse Zee. In 1997 kwam de soort ook massaal voor in de Kaspische Zee. In 2005 werd de Amerikaanse ribkwal in het Grevelingenmeer aangetroffen. Daarna volgde waarnemingen in Oosterschelde en Westerschelde in Zeeland, Waddenzee en Noordzee. Inmiddels is het in het brakke Noordzeekanaal een algemene soort, die zelfs tot in de Amsterdamse grachten is doorgedrongen.

De dieren leven vrij in de waterkolom. Ze bewegen zich sierlijk voort door de zwemplaatjes in een golfpatroon naar beneden te slaan. De soort is niet kritisch qua zoutgehalte, temperatuur en waterkwaliteit en komt voor in een breed scala van kust-habitats. De dieren kunnen zich vooral massaal ontwikkelen in gebieden met brakke wateren en een hoog niveau aan plankton. De Amerikaanse langlob-ribkwal is hermafrodiet en doet ook aan zelfbevruchting. Dat betekent dat in theorie één individu zich kan ontwikkelen tot een volledig nieuwe populatie. Eieren en sperma worden vrij in het water geloosd en bevruchting vindt plaats in het zeewater.

Schadelijk: Doordat de dieren snel vruchtbaar zijn en enorme hoeveelheden voortplantingcellen kunnen lozen, zijn ze in staat zich razendsnel voort te planten. Het zijn zeer effectieve planktoneters, in staat grote hoeveelheden plankton, larven, viseieren en sperma te verorberen en per dag tien keer het eigen lichaamsgewicht weg te vangen. Hele ecosystemen kunnen daardoor ernstig worden verstoord. Op diverse plaatsen in de wereld heeft de komst van Amerikaanse ribkwal grote nadelige gevolgen gehad voor de visstand en de visserij. Gezien de dramatische gevolgen van de introductie van de Amerikaanse ribkwal voor het ecosysteem en de visserij in de Zwarte en Kaspische Zee is het gewenst in Nederland de effecten van het voorkomen van deze ribkwal te volgen. De Waddenzee, de Zeeuwse zeearmen en de nabije kustzone zijn zeer belangrijke kraamkamers voor schol en tong, vissoorten die voor de Nederlandse visserij van levensbelang zijn. Deze wateren zijn voor een groot deel ook belangrijke en kwetsbare natuurgebieden. Tot nu toe zijn geen ingrijpende gevolgen waargenomen.
In tegenstelling tot de Amerikaanse ribkwal is de van oorsprong in de Noordelijk Noordzee voorkomende Kortlob-ribkwal Bolinopsis infundibulum zeer onschuldig. Dit dier vangt geen grote hoeveelheden plankton weg.

Vanaf het voorjaar tot laat in de zomer kan de Amerikaanse ribkwal in grote aantallen voorkomen.106401SoortenalbumNederlandZoutwater|BrakwaterMOO
Amerikaanse schijfhoren
Gyraulus parvus


Lees verder...
Amerikaanse schijfhoren
Gyraulus parvus
Zoetwaterslak. Exoot / ingevoerde soort. Tot 3,8 mm. Hoornkleurig, geelbruin. Klein, schijfvormig huisje. Dunschalig met 4-5 matig bolle windingen. Mondopening iets omgebogen. Sculptuur van onregelmatige spiraallijntjes en groeilijnen. In sloten en andere wateren met onderwatervegetatie. Nog slechts een paar keer gevonden. Mogelijk uitbreidend.

Lees verder...
Gyraulus parvusZoetwaterslak. Exoot / ingevoerde soort. Tot 3,8 mm. Hoornkleurig, geelbruin. Klein, schijfvormig huisje. Dunschalig met 4-5 matig bolle windingen. Mondopening iets omgebogen. Sculptuur van onregelmatige spiraallijntjes en groeilijnen. In sloten en andere wateren met onderwatervegetatie. Nog slechts een paar keer gevonden. Mogelijk uitbreidend.

Afmetingen: H 1,3; B3,8 mm.
Schelpkleur: Hoornkleurig, geelbruin. Glanzend.
Schelpvorm: Klein, schijfvormig huisje. Dunschalig met 4-5 matig bolle windingen. Mondopening iets naar voren gebogen. Navel zeer wijd. De sculptuur bestaat uit fijne onregelmatige spiraallijntjes en groeilijnen.

 Ingevoerde soort (Noord-Amerika). In Nederland (nog) schaars, maar breidt zich vermoedelijk, net als in omringende landen, uit.
ANEMOON verspreidingsatlas weekdieren: Amerikaanse schijfhoren
Leeft in zoet water.  Bij Afferden gevonden in een schone sloot met diverse waterplanten. 593136SoortenalbumNederlandZoetwaterANM|Exoten
Amerikaanse venusschelp
Mercenaria mercenaria


Lees verder...
Amerikaanse venusschelp
Mercenaria mercenaria
Mariene tweekleppige. Tot 120. Vuilwit tot geelgrijs, binnenzijde wit, spierindruksel paars. Opperhuid grijsbruin. Dikke bolle schelp met gebogen top, concentrische ribben en grovere groeilijnen die aan de voor- en achterzijde lamelvormig zijn. Onderrand gecreneleerd. Leeft ondiep ingegraven in een slikkige zandbodem, vanaf het litoraal tot ca. 10 m. Exoot, plaatselijk in Zeeland.

Lees verder...
Mercenaria mercenaria Mariene tweekleppige. Tot 120. Vuilwit tot geelgrijs, binnenzijde wit, spierindruksel paars. Opperhuid grijsbruin. Dikke bolle schelp met gebogen top, concentrische ribben en grovere groeilijnen die aan de voor- en achterzijde lamelvormig zijn. Onderrand gecreneleerd. Leeft ondiep ingegraven in een slikkige zandbodem, vanaf het litoraal tot ca. 10 m. Exoot, plaatselijk in Zeeland.Afmetingen: L. tot 120 mm, H. tot 95 mm.
Schelpkleur: Vuilwit tot geelgrijs. Opperhuid grijsbruin. Binnenzijde wit, bij het spierindruksel vaak paars.

Schelpvorm: Dikke, bolle schelp. Top omgebogen.
Sculptuur:
Concentrische ribben en grovere groeilijnen. Aan voor- en achterzijde iets duidelijkere ribben, waardoorlamelvormige sculptuur ontstaat. Vóór de top een breed veld (lunula of maantje),achter de top een langwerpig rugveld.
Slot: Heterodont met in beide kleppen 3 cardinale tanden. Slotband uitwendig.
Binnenzijde schelp: De onderrand is gecreneleerd. Twee spierindruksel, mantellijn met mantelbocht.

Dier: Geen duidelijke manteltentakels. Voet groot en tongvormig. Sifonen kort, iets ongelijk in lengte, met kleine tentakelkransjes aan de uiteinden. Lichaamskleur crème, vleeskleurig tot lichtgeel, voet geeloranje.

 Exoot. Oorspronkelijk voorkomend aan de westkant vande Noord-Atlantische Oceaan, van Nova Scotia tot Yucatan. Vanaf 1861 voor de kweek en consumptie geïntroduceerd in Europa, eerst in de baai van Arcachon (Zuidwest-Frankrijk), Normandië en het zuiden van Engeland.
In Nederland zijn In de jaren 50 in Zeeland kweekproeven gedaan, van waaruit zich mogelijk nieuwe populaties hebben ontwikkeld. In het Veerse Meer werden in 1961 tientallen lege exemplaren waargenomen. In 1995 werden in de Oosterschelde op de Hoge Kraaijert dieren gevonden, In 2000 bij Tholen. Later ook op andere locaties. Met name de (beschermde) populatie op de Slikken van Viane omvat vele tientallen dieren.
Ingegraven in een slikkige zandbodem, vanaf de laagwaterlijn tot ca. 10 m. Vaak in zachte bodems waarin een zekere hoeveelheid lege schelpen en/of losse stenen aanwezig is. Soms zeer ondiep ingegraven, waarbij een deel vande schelp boven de bodem uitsteekt. Langlevende soort 30-40 jaar. 141919SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM|Exoten
Amerikaanse zwaardschede
Ensis leei


Lees verder...
Amerikaanse zwaardschede
Ensis leei
Mariene tweekleppige. Tot 19 cm. Zeer langgerekte, gebogen schelp. Ruim zes maal zo lang als breed; grootste breedte ongeveer in het midden. Kleurpatroon van roze tot bruinpaarse bandjes op een lichtere ondergrond. Opperhuid olijfbruin. Massaal aangespoeld op stranden, levend in slikgebieden van Zeeland en Waddengebied.

Lees verder...
Ensis leeiMariene tweekleppige. Tot 19 cm. Zeer langgerekte, gebogen schelp. Ruim zes maal zo lang als breed; grootste breedte ongeveer in het midden. Kleurpatroon van roze tot bruinpaarse bandjes op een lichtere ondergrond. Opperhuid olijfbruin. Massaal aangespoeld op stranden, levend in slikgebieden van Zeeland en Waddengebied.

Afmeting: 3,5 x 19,0 cm.
Schelpkleur:
Patroon van roze tot bruinpaarse bandjes op een lichtere ondergrond. Opperhuid glanzend olijfbruin en schilferig na droging.
Schelpvorm:
Vrij dunschalige schelp. Duidelijk gebogen. Zeer langgerekt: zes maal zo lang als breed; de grootste breedte ligt ongeveer in het midden. De voor en achterrand zijn ongeveer even breed en gelijkmatig afgerond.

Sculptuur:
Het oppervlak is glad met alleen groeilijnen.
Slot:
Heterodont. In de rechterklep één cardinale en één laterale tand, in de linkerklep twee cardinale en twee laterale tanden.
 Slotband uitwendig.
Binnenzijde schelp:
Het voorste (langwerpige) spierindruksel aan de binnenkant is ongeveer even lang als de slotband.

 

Oorspronkelijk een soort van de Amerikaans-Canadese kust. In West-Europa een exoot. Nadat larven met ballastwater van schepen in het Duitse Elbe-estuarium terecht kwamen (1979, Hamburg), heeft de soort zich zowel in noordelijke als zuidelijke richting uitgebreid. De Nederlandse, Belgische en Deense kust werden snel gekoloniseerd en ook de Zweedse en Franse kusten en het Oostzee-gebied zijn al bereikt. In Nederland voor het eerst waargenomen in de Waddenzee in 1982. In 1984 werd Zandvoort bereikt en in 1986 Katwijk-Noordwijk. Vaak massaal aangespoeld op het strand. In de kustnabije Noordzee, de Waddenzee  Zeeuwse wateren is het de meest algemene Ensis-soort.

- Verspreiding Amerikaanse zwaardschede 

De dieren leven rechtstandig in zelf gegraven, decimeters diepe gangen in de bodem. Ze zitten in ongestoorde toestand vlak onder het bodemoppervlak, met alleen de korte sifonen boven de bodem. dieren verraden. Bij verstoring trekken ze zich razendsnel in hun gang terug. Anders dan de andere Ensis-soorten, leeft de Amerikaanse zwaardschede zowel in het intergetijdengebied als in de subgetijdenzone en dieper. In de open Noordzee vooral tot ca. 15 m in medium en grof zand, maar ook in fijn substraat en slikgebieden.Tussen 15 tot 35 m zijn de presenties laag en beneden de 35 m ontbreken ze. Het zijn filteraars. Water wordt via de instroomsifo opgezogen en langs de kieuwen geleid, die er plankton, algen en ander zwevend voedsel uit zeven. Daarna verlaten reststoffen en water via de uitstroomsifo het lichaam weer. De dieren zijn van gescheiden geslacht. Ei-afzetting en bevruchting gaat via de waterkolom. De soort groeit snel, vermoedelijk het snelst van alle Europese Ensis-soorten. Ze worden gemiddeld 3-4 jaar, maar kunnen mogelijk tot 8 jaar worden.

 876640SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|Exoten
Artemisschelp
Dosinia exoleta


Lees verder...
Artemisschelp
Dosinia exoleta
Mariene tweekleppige. Tot 50 cm. Cr&egrave;me met radiale, stralende strepen van V-vormige vlekken. Stevige cirkelronde schelp. Top gebogen. Regelmatige concentrische ribben. Diepe mantelbocht. Onderrand niet gekarteld. In zandbodems. Spoelt weinig aan.

Lees verder...
Dosinia exoletaMariene tweekleppige. Tot 50 cm. Crème met radiale, stralende strepen van V-vormige vlekken. Stevige cirkelronde schelp. Top gebogen. Regelmatige concentrische ribben. Diepe mantelbocht. Onderrand niet gekarteld. In zandbodems. Spoelt weinig aan.

Afmeting: 50  x 50 mm.
Schelpkleur:
 Crème of strokleurig met vaak een patroon van radiale, vanuit de top stralende banden van donkergekleurde V-vormige streepjes en vlekken. De binnenkant is glanzend wit.
Schelpvorm: Stevige, matig bolle, cirkelronde schelp. De top is naar voren gebogen. Voor de top ligt een hartvormig maantje (lunula). Verder is er nog een onduidelijk smal langwerpig rugveld (escutcheon).
Sculptuur:
Regelmatige concentrische ribben. Vóór het maantje is de curve die de schelprand maakt hoog.
Slot:
Heterodont; beide kleppen met 3 cardinale tanden. Slotband gedeeltelijk uitwendig.
Binnenzijde schelp:
Diepe mantelbocht. De onderrand is niet gekarteld.

 

Van de Noorse Zee en de Oostzee tot aan Gabon. Ook in de Middellandse Zee. In de Noordzee komen de meeste vondsten van de Doggersbank en de Oestergronden, inclusief het Friese Front, met diverse vindplaatsen ten zuiden van de 30 m-dieptelijn. 

Op het strand: Er worden zo nu en dan  verse exemplaren gevonden (verse schelpen, zelden doubletten) op het strand van met name de drie noordelijke Waddeneilanden. Ook aanwezig in materiaal van strand- en vooroeversuppleties bij onder meer Texel en Ameland, zowel vers als fossiel.

Van vlak onder de laagwaterlijn tot 100 m diepte. De dieren leven vrij diep (6-8 cm) ingegraven in middelgrof tot grof zand, al dan niet met schelpresten. In de bodem zitten de dieren gewoonlijk verticaal, met de top en bovenste schelprand parallel aan het bodemoppervlak. De sifobuis komt aan de achterzijde in horizontale toestand uit de schelp, buigt dan naar boven tot de uiteinden iets boven de bodem uitsteken. 141911SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Asgrauwe keverslak
Lepidochitona cinerea


Lees verder...
Asgrauwe keverslak
Lepidochitona cinerea
<p>Keverslak. Mariene soort. Tot 28 mm. Platte ovale dieren met acht vrij hoog gewelfde en meestal gekielde, afzonderlijke schelpplaten, die als dakpannen over elkaar liggen. Kleur inclusief gordel variabel: grijsgroen, wit, geel, rood en vlekkenpatronen. Leeft vastgehecht aan hard substraat (stenen, schelpen) in het litoraal van slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied.</p>

Lees verder...
Lepidochitona cinerea

Keverslak. Mariene soort. Tot 28 mm. Platte ovale dieren met acht vrij hoog gewelfde en meestal gekielde, afzonderlijke schelpplaten, die als dakpannen over elkaar liggen. Kleur inclusief gordel variabel: grijsgroen, wit, geel, rood en vlekkenpatronen. Leeft vastgehecht aan hard substraat (stenen, schelpen) in het litoraal van slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied.

Afmetingen: L. tot 28 mm, B. 9 mm. (Meestal kleiner.)
Schelpkleur:
 variabel wit, geel, rood, bruin, groen, oranje en verschillende vlekkenpatronen. Ook de gordel heeft deze kleuren. Dieren uit slikkige milieus zijn vaak minder kleurrijk dan dieren uit meer zandige milieus. In Nederland domineren grijs en grauwgroen.
Schelpvorm: De schelpplaten zijn vrij hoog gewelfd en meestal duidelijk gekield. De apofysen zijn breed maar kort. Het aantal insnijdingen aan de onderzijde van de insertieranden is variabel. De kopplaat heeft 7-11 (meestal 8) insnijdingen, de tussenplaten hebben er één aan elke zijde en de staartplaat heeft er 6-16 (meestal 10-12).
Sculptuur:
Schelpplaten met een vrij uniform en fijn gegranuleerd tegmentum, met onregelmatig ovale en om en om geplaatste korrels. Op beide zijkanten van de centrale velden van de tussenplaten zijn de korrels meer in onregelmatige lengterijen geplaatst.
Gordel:
De rondom lopende, ca. 2-3 mm brede gordel is bedekt met kleine, met het blote oog vrijwel niet waarneembare, korte kalkstekeltjes.

Overig: Kenmerken dier: aan de onderzijde meestal lichtgrijs, gelig, roze of oranje van kleur.

Op basis van monsternames vallen geen landelijke trend en afzonderlijke trends voor deelgebieden te bepalen. Uit de MOO-duikwaarnemingen in de periode 1997-2011 blijkt geen toe- of afname in de Oosterschelde. In het Grevelingenmeer komt tussen 1997-2011 een afname naar voren, gevolgd door gering herstel. In de Westerschelde en het Waddengebied lijkt een afname zichtbaar t.o.v. 1985, alsmede een afname aan areaal. De afname in de Waddenzee zou te maken kunnen hebben met de afname van mosselbanken begin jaren 90. Het ingezette herstel van deze banken en de opkomst van Japanse oesters zouden weer tot een toename van deze soort kunnen leiden.

Voorkomend in geheel Europa, inclusief de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Alleen op IJsland nog niet aangetroffen. In Nederland is dit de enige algemeen voorkomende keverslak.

Op het strand: De dieren leven niet langs de zandige kust maar in de slikgebieden in Zeeland en het Waddengebied. Meldingen langs de Hollandse kust tussen IJmuiden en Hoek van Holland hebben te maken met aangevoerd materiaal, fossiele schelpplaten of determinatiefouten.

Mariene soort. Leeft onder stenen en schelpen op een zand- of slikbodem,voornamelijk in het getijdengebied, tot enkele meters diep (zelden tot 70 m). Van alle Noordwest-Europese keverslakken kan de Asgrauwe keverslak het beste tegen zoet water (euryhaliene soort). De soort kan strenge winters verdragen, maar ook warmere perioden.

De dieren zijn van gescheiden geslacht. Bevruchting gaat via de waterkolom, in juli-oktober. De larven maken maar kort deel uit van het plankton, zakken dan naar de bodem, waar de rugplaten ontwikkeld worden. De dieren zijn omnivoor en eten vooral algen en siatomeeën. Ze worden doorgaans niet ouder dan 5 jaar.

 140143SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|ANM
Asgrauwe tolhoren
Gibbula cineraria


Lees verder...
Asgrauwe tolhoren
Gibbula cineraria
Mariene huisjesslak. Tot 17 mm, meestal kleiner. Vuilwit met paarsrode schuine streepjes. Mond parelmoerkleurig. Operculum rond, bruin. Stevige kegelvormige horen, met 5-7 matig bolle windingen en een wat hoekige mond. Navel nauw, maar diep. Oppervlak met ondiepe spiraalribben. In Zeeland lokaal op hard substraat (ingevoerd). op het strand fossiel (Eemien).

Lees verder...
Gibbula cinerariaMariene huisjesslak. Tot 17 mm, meestal kleiner. Vuilwit met paarsrode schuine streepjes. Mond parelmoerkleurig. Operculum rond, bruin. Stevige kegelvormige horen, met 5-7 matig bolle windingen en een wat hoekige mond. Navel nauw, maar diep. Oppervlak met ondiepe spiraalribben. In Zeeland lokaal op hard substraat (ingevoerd). op het strand fossiel (Eemien).Afmetingen: H. tot 17 mm, B. tot 17 mm.
Schelpkleur: vuilwit, met een patroon van paarsrode schuin weglopende streepjes. Binnenzijde van de mond parelmoerkleurig. Operculum rond, hoornachtig, bruin.
Schelpvorm: Stevige, min of meer regelmatig gewondenkegelvormige horen, met 5-7 matig bolle windingen. De mondopening is hoekig tot vierkant. Er is een nauwe maar duidelijke en diepe, ronde navel.
Sculptuur: Het schelpoppervlak is meestal bezet met een variabel aantal ondiepe spiraalribben.

Dier:
kop met een verlengde snuit. Koptentakels lang, aan de basis liggen op een korte verhoging de ogen. Voet ovaal, met 3 paar voettentakels. Lichaamskleur crèmewit tot geelgrijs, met paarsige, golvende, dwarsgestreepte vlekken op voet, snuit en ringvormige strepen op de tentakels.
 

Van Noorwegen en IJsland tot Portugal, Gibraltar en Marokko. Aan de vastelandszijde van het Noordzeebekken uitgestorven sinds het Eemien, ca. 100.000 jaar geleden. Vanaf halverwege de jaren 70  bij Yerseke door de schelpdierhandel en -kweek aangevoerd met Oesters, Mossels. In het wild gevonden in 1994. Inmiddels op diverse plaatsen in het Oosterscheldegebied aanwezig op stenen van dijken, op schelpen (oesters) en tussen rood- en bruinwieren, waaronder Gezaagde zee-eik en Japans bessenwier.

Op het strand: Bereikt onze kust soms op drijvende voorwerpen, wier en in eieren van de Wulk, vermoedelijk grotendeels van de Franse of Engelse kusten. Lege fossiele huisjes spoelen frequent aan langs de hele kust en stammen uit het Eemien (Pleistoceen).

Bewoner van rotskusten. Vooral aanwezig langs deels zandige kusten. De dieren leven vooral op beschutte plaatsen onder bruin- en roodwieren in de getijdenzone en in rotspoelen, vanaf iets beneden de laagwaterlijn tot diepten van meer dan100 m. Het voedsel bestaat uit algen en detritus. De dieren zijnvan gescheiden geslacht. Ei-afzetting en bevruchting in de Noordzee waarschijnlijk vooral in het voorjaar. Ronde geelwitte eieren. De soort kan ten minste 3 jaar oud worden. 141782SoortenalbumNederland MOO|LIMP|SMP|Exoten
Aziatische korfmossel
Corbicula fluminea


Lees verder...
Aziatische korfmossel
Corbicula fluminea
Zoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 33 mm. Geelbruin tot groengeel. Bij de top vaak paarsachtig. Binnenzijde geelwit, soms iets lila. Dikschalige, rond-driehoekige, schelpen. De top ligt bijna in het midden. Sculptuur van brede, niet zeer dicht op elkaar liggende concentrische ribben. Ingevoerd in ca 1990. Nu algemeen in heel Nederland in zoet, al dan niet bewogen water.

Lees verder...
Corbicula flumineaZoetwater-tweekleppige. Exoot/ingevoerde soort. Tot 33 mm. Geelbruin tot groengeel. Bij de top vaak paarsachtig. Binnenzijde geelwit, soms iets lila. Dikschalige, rond-driehoekige, schelpen. De top ligt bijna in het midden. Sculptuur van brede, niet zeer dicht op elkaar liggende concentrische ribben. Ingevoerd in ca 1990. Nu algemeen in heel Nederland in zoet, al dan niet bewogen water.

Afmetingen: H. 30, B. 33 mm.
Kleur: Geelbruin tot groengeel. Vaak paarsachtig bij de top. Juveniele exemplaren hebben vaak vanuit de top stralende paarslila dwarslijnen. Binnenzijde geelwit, soms iets lila
Schelpvorm: Dikschalig. Rond-driehoekig, de top ligt ongeveer in het midden. Slot met duidelijke cardinale en laterale tanden. Sculptuur van stevige, brede,meestal niet opvallend dicht op elkaar liggende concentrische ribben.

 In grote delen van Nederland inmiddels algemeen.In alle mogelijke bewogen wateren, rivieren en meren. Leeft deels in en vaak op  zandbodems maar ook wel modderbodems. O.a. massaal in het IJsselmeer en de grote rivieren. 181580SoortenalbumNederlandZoetwaterANM|Exoten
Baardmossel
Modiolus barbatus


Lees verder...
Baardmossel
Modiolus barbatus
Mariene tweekleppige. Tot 65 mm. Paarsbruin tot kastanjebruin, binnenzijde paarslila. Opperhuid bruingrijs, uitlopend in lange, geelbruine, vezelige haren die naar achteren toenemen. Driehoekige schelp, de achterrand gaat met een hoek in de onderrand over. Oppervlak met onregelmatige groeilijnen. Zelden in de Nederlandse Noordzee.

Lees verder...
Modiolus barbatusMariene tweekleppige. Tot 65 mm. Paarsbruin tot kastanjebruin, binnenzijde paarslila. Opperhuid bruingrijs, uitlopend in lange, geelbruine, vezelige haren die naar achteren toenemen. Driehoekige schelp, de achterrand gaat met een hoek in de onderrand over. Oppervlak met onregelmatige groeilijnen. Zelden in de Nederlandse Noordzee.Afmetingen: L. 65 mm, H. tot 40 mm (zelden tot 90 mm).
Schelpkleur: Schelp paarsbruin tot kastanjebruin, voorste gedeelte van de schelp glimmend roodbruin, binnenzijde glanzend paarslila. Opperhuid bruingrijs, ook bij volwassen exemplaren uitlopend in lange, geelbruine, vezelige haren (feitelijk platte, gezaagde uitgroeisels van de opperhuid). Naar achteren toe steeds zwaarder behaard.
Schelpvorm: Vrij stevige driehoekige schelp; de achterrand gaat met een duidelijke hoek in de onderrand over. Bij de top boller dan aan de achterkant.

Sculptuur: Oppervlak met sterk onregelmatige groeilijnen.
Slot: Geen laterale tanden. Ligament uitwendig,op lange slotplaat.

 

Van Ierland en Het Kanaal tot Marokko, de Canarische Eilanden, de Azoren en de Middellandse Zee. In Nederland zelden in de Noordzee. O.a. aangetroffen in het gebied van de Oestergronden. Deze zuidelijke soort leeft hier  aan de noordrand van het verspreidingsgebied.

Op het strand: Langs de Belgische en Nederlandse kust zo nu en dan aangespoeld met wier en andere drijvende voorwerpen.

Leeft met byssusdraden vastgehecht op hard substraat als stenen, palen, grote schelpen en dergelijke, langs rotskusten onder puur zoute condities. Nooit bij verlaagde zoutgehalten. Van het sublitoraal tot een diepte van ca. 100 m. Het zijn filteraars: het voedsel bestaat uit diatomeeën en flagellaten. De dieren zijn van gescheiden geslacht. Ei-afzetting en bevruchting via de waterkolom. De dieren kunnen 6-14 jaar worden.

 140464SoortenalbumNederlandZoutwaterLIMP|SMP|ANM
Baars
Perca fluviatilis


Lees verder...
Baars
Perca fluviatilis
<p>Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 60 cm, meestal kleiner. Meestal met zes donkere dwarsbanden en een zwarte vlek achteraan de eerste rugvin.<span style="line-height: 1.5; font-size: 12px; font-style: normal; font-variant-ligatures: normal; font-variant-caps: normal; font-family: Arial, Tahoma, Helvetica, Verdana, sans-serif;">Twee aparte rugvinnen, waarvan de eerste met scherpe puntige stekels. Bek uitstulpbaar, kaken met kleine tandjes. Rug groenbruin, flanken bronskleurig, buik grijswit.&nbsp;Staart en buikvinnen oranje tot oranjerood.&nbsp;Zichtjager, algemeen.</span></p>

Lees verder...
Perca fluviatilis

Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot 60 cm, meestal kleiner. Meestal met zes donkere dwarsbanden en een zwarte vlek achteraan de eerste rugvin.Twee aparte rugvinnen, waarvan de eerste met scherpe puntige stekels. Bek uitstulpbaar, kaken met kleine tandjes. Rug groenbruin, flanken bronskleurig, buik grijswit. Staart en buikvinnen oranje tot oranjerood. Zichtjager, algemeen.

Afmetingen: Tot 60 cm.
Kleur: Rug groenbruin, flanken lichtbruin met geelbruine tot bronskleurige tint. Buik grijswit. Kenmerkend is het strepenpatroon van meestal zes brede, donkerbruine of grijsbruine dwarsbanden. Aan het einde van de eerste rugvin zit een zwarte vlek. De staart en de onderste vinnen hebben een oranje zweem, of kunnen fel oranjerood zijn. Kop met zeer kleine vlekjes.
Vorm: Baarzen hebben een vrij hoog lichaam met twee grote gestekelde rugvinnen. De bek is uitstulpbaar, de ogen vrij groot. Op het kieuwdeksel zit een stevige stekel. Kaken met veel kleine tandjes.
Vinnen: Rugvinnen gescheiden. De rugvin en anaalvin bevatten zeer scherpe puntige stekels.
Overig: Tot 4,5 kilo. Leeftijd tot 16 jaar.

 Verspreid over bijna heel Europa en Noord-Azië, in meren, plassen, moerasland, rivieren en niet te zoute brakke wateren. De Baars is een smakelijke vis die ook door de mens wordt gegeten. In de vijftiger en zestiger jaren vingen beroeps-  en hengelsportervissers veel Baars in het IJsselmeer en andere grote wateren. De aantallen liepen later terug. Het is echter nog steeds een van de meest algemene roofvissen van ons land.
In Nederland geldt voor de baars een vangverbod van 1 april tot de laatste zaterdag van mei. Dieren tot 22 cm zijn beschermd door de Visserijwet. Niet op de Rode Lijst.
Algemeen in zoet water, ook in licht brak water en in voedselarme wateren (vennen). Vaak een van de eerste kolonisatoren van nieuw aangelegde wateren. Prefereert als zichtjager helder water, maar kleinere dieren komen echter ook regelmatig in meer troebele en kleinere slootjes voor waar ze zich vooral ophouden in de ondiepere waterlagen met voldoende schuilmogelijkheden. De dieren komen  vaak voor in scholen. Grotere dieren zijn meer solitair en leven meer in grote meren, rivieren. Vaak in scholen met dieren van ongeveer gelijke grootte. Paaitijd van maart tot juni in zeer ondiep water. In lange netvormige linten worden tot 200.000 eieren afgezet. De jongen komen na 3 weken uit. Prooi wordt opgezogen met de  uitstulpbare bek. Het voedsel bestaat bij jonge dieren uit muggelarven, wormen, aasgarnalen, insecten en plankton. Grote dieren eten uitsluitend andere vissoorten (waaronder jonge Baarzen). Jaagt gewoonlijk langs de oever en bij de bodem.
Ondanks de vervaarlijke stekels vallen Baarzen vaak ten prooi aan de Snoek.
 151353SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Basters drijfslakje
Heleobia stagnorum


Lees verder...
Basters drijfslakje
Heleobia stagnorum
Huisjesslak uit brak tot bijna zoet water. Tot&nbsp; 6,5 mm. Glanzend wit, soms doorschijnend. Vaak met aangroeiing. Opperhuid bruin. Operculum lichtbruin. Dunschalig, torenvormig, tot 7 matig bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal, bovenin spitser. Mondrand onverdikt. Navel nauw. Groeilijnen en minieme spiraallijntjes. Leeft plaatselijk in binnendijks brak water (Zeeland). Verder niet uit Nederland bekend.

Lees verder...
Heleobia stagnorumHuisjesslak uit brak tot bijna zoet water. Tot  6,5 mm. Glanzend wit, soms doorschijnend. Vaak met aangroeiing. Opperhuid bruin. Operculum lichtbruin. Dunschalig, torenvormig, tot 7 matig bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal, bovenin spitser. Mondrand onverdikt. Navel nauw. Groeilijnen en minieme spiraallijntjes. Leeft plaatselijk in binnendijks brak water (Zeeland). Verder niet uit Nederland bekend.Afmetingen: H. tot 6,5 mm, B. tot 3 mm.

Schelpkleur: Glanzend wit, zeer licht geelachtig of doorschijnend en kleurloos. Vaak met aangroeiing op de schelp. Opperhuid geelbruin, schilferig. Operculum hoornachtig, lichtbruin.
Schelpvorm: Dunschalig, torenvormig horentje, met tot 7 matig bolle windingen. Top spits, mondopening ovaal, bovenin toegespitst. Mondrand dun, onverdikt. Navel zeer nauw. Behalve groeilijnen ook minieme spiraallijntjes.

Dier: Zie Opgezwollen brakwaterhorentje, echter de lichte velden, bestaande uit kleine gele pigmentstippen, ontbreken, het oog is ovaal, iets groter dan bij Ecrobia ventrosa en ligt niet op een verhoogde tentakelbasis. Lichaamskleur variabel, egaal licht tot donkergrijs. Snuit vaak donkerder, met lichter uiteinde. Details in de kop-pigmentatie en vooral de gele pigmentkorrels in de tentakels zijn als onderscheidingskenmerk met het Opgezwollen brakwaterhorentje te gebruiken.

 Bekend uit Noordwest-Duitsland en het Middellandse-Zeegebied. In Nederland een zeldzame brakwatersoort, die in Zeeland voorkomt in verscheidene binnendijks gelegen brakke kreken, wielen, watergangen en inlagen. Er zijn geen recente meldingen uit het Waddengebied of van de Hollandse kusten bekend.Brakwatersoort die een brede range van zoutgehalten verdraagt. In Nederland in brak water met een zoutgehalte tussen 2,6 en 13,2‰. Veel lagere, maar ook hogere waarden worden (tijdelijk) ook geaccepteerd. Gewoonlijk van gescheiden geslacht, echter ook voortplanting door zelfbevruchting is waargenomen. De eikapsels bevatten één ei en worden onder andere op de schelpen van soortgenoten afgezet. Geen pelagisch larvenstadium. De verdere levenscyclus is niet goed bekend. 153928SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus


Lees verder...
Blaasjeskrab
Hemigrapsus sanguineus
Krab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.&nbsp; Vrouwtjes worden groter dan mannetjes. Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.

Lees verder...
Hemigrapsus sanguineusKrab. Marien en (licht) brak water. Rugschild tot 45 mm. Meest kenmerkend is de doorlopende dunne lijn net onder de ogen. Kleur groengrijs met donkere roodbruine tot donkerrode vlekken. Of donker met groenbeige vlekken. Meestal met duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op rugschild en lichte en donkere banden over de looppoten. Vierkant schild en drie tanden aan de zijkant. Poten van de mannetjes groter, met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel.  Vrouwtjes worden groter dan mannetjes. Zeeland, Waddengebied. Exoot, sterk toegenomen.Afmetingen: Rugschild tot 45 mm.
Kleur: Lichter groengrijs met veel donkere roodbruine tot zeer donkerrode vlekken. Of donker met lichtere, groenbeige vlekjes. Er is een duidelijk symmetrisch vlekkenpatroon op het rugschild aanwezig en er lopen opvallende lichte en donkere banden over de looppoten.
Rugschild: Een vierkant schild met een rechte voorrand en drie tanden aan de zijkant.
Poten: Mannetjes met een bolle, lederachtige blaas aan de basis van het beweeglijke bovendeel van de scharen. Niet aanwezig bij de vrouwtjes. De scharen van het mannetje zijn een stuk groter dan die van het vrouwtje.
Overig: Vrouwtjes worden groter dan mannetjes.
 Exoot, afkomstig uit Azië of mogelijk Amerika waar de soort ook geïntroduceerd is. In 1999 voor het eerst ontdekt in Nederland. Sindsdien sterk toegenomen. Komt ook al voor in het Waddengebied.Getijdegebieden, vooral hoog in de getijdezone. 158417SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|Exoten
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select