Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANEMOON Thema's Exoten
Navigation
Document Actions

Nieuwkomers in Oosterschelde

Sinds 1978 zijn er veel soorten in de Oosterschelde bijgekomen die daar voordien niet voorkwamen. Het gaat daarbij om soorten van ver buiten de Europese kustwateren (exoten) komen, zuidelijke nieuwkomers en oost-Atlantische nieuwkomers. Deze nieuwkomers zijn hier gekomen door tal van oorzaken, waaronder scheepvaart, transport van organismen voor menselijke consumptie, ecologische veranderingen als gevolg van de Deltawerken en door klimaatveranderingen.

Tekst: A.W. Gmelig Meyling en A. Gittenberger. Versie 1-2-2007

 

Wat beschouwen we als nieuwe soorten?

Exoten_01De Oosterschelde is een Nationaal park en dus een beschermd gebied. Het bijzondere karakter van dit gebied drong pas in het begin van de tachtiger jaren tot de overheid door, die aanvankelijk de Oosterschelde geheel wilde afsluiten in het kader van het Deltaplan. Vanwege protesten uit de samenleving kwam veel ecologisch onderzoek op gang, waaronder een uitputtend inventariserend onderzoek naar soorten die vóór 1978 zijn waargenomen in de Oosterschelde (Elgershuizen et al, 1979). Deze lijst beschouwt Stichting ANEMOON als referentie; alle soorten die tegenwoordig in de Oosterschelde worden waargenomen maar niet in deze lijst staan, worden gezien als nieuwkomer.

De figuur hiernaast geeft per jaar het aantal door ANEMOON-vrijwilligers in de Oosterschelde waargenomen nieuwe soorten, uitgesplitst naar drie trefkansklassen. Uit deze figuur blijkt dat het aantal nieuwkomers dat zich blijvend of voor langere tijd vestigt, sterk is toegenomen. Natuurlijk is ook het aantal duikers en de interesse voor onderwaterfauna sterk toegenomen, waarmee de kans om nieuwe soorten aan te treffen ook groter is geworden. Toch speelt dit vermoedelijk slechts in beperkte mate een rol, omdat ook de trefkans (gecorrigeerd voor de waarnemersinspanning) van de meeste van deze soorten toeneemt.

De figuur hieronder geeft het aantal aanwezige nieuwkomers in de Oosterschelde, uitgesplitst naar exoten, zuidelijke nieuwkomers en Oost-Atlantische nieuwkomers.

 

Exoten in de Oosterschelde

Na 1978 hebben zich 14 exoten in de Oosterschelde gevestigd en gezien de gestage stijging zal het aantal nog toenemen. 11 soorten spelen inmiddels een belangrijke rol in het ecosysteem. Twee soorten, de Japanse oester en de Japanse druipzakpijp, zijn zo massaal aanwezig dat gesproken kan worden van een plaag.

 

Zuidelijke nieuwkomers in de Oosterschelde

We spreken van Zuidelijke nieuwkomers als de soort nog niet eerder in een gebied is waargenomen én als  het oorspronkelijke verspreidingsgebied van deze Europese soort grotendeels ten zuiden van dit gebied ligt. Na 1978 hebben zich 12 zuidelijke soorten blijvend gevestigd in de Oosterschelde. Dit is voor een belangrijk deel te danken aan de toename van de watertemperatuur. Deze temperatuursstijging is niet alleen het gevolg van klimaatsveranderingen, maar ook van een toename van de verblijftijd van het water in de Oosterschelde na de aanleg van de Stormvloedkering. Per getij stroomt sindsdien (rond 1985) minder water de Oosterschelde in en uit, waardoor de watertemperatuur vooral in de zomer hoger oploopt dan vroeger. De meeste zuidelijke nieuwkomers hebben zich gevestigd tijdens de warme zomer van 1997. Daarna is het aantal zuidelijke soorten niet meer toegenomen (zie figuur hieronder). De populatiegroottes van deze soorten namen geleidelijk toe, maar nemen geen hinderlijke proporties aan. De Gewimperde zwemkrab (Liocarcinus arcuatus) is vanaf 1998 algemeen te noemen, maar concurreert niet duidelijk met andere zwemkrabben. De Grijze korstzakpijp (Diplosoma listerianum) is vanaf 1999 algemeen te noemen en lijkt de laatste jaren zelfs de Druipzakpijp (Didemnum lahillei), een exoot, wat te ‘verdrijven’. In dit verband willen we ook de Kleine heremietkreeft Diogenes pugilator even noemen. Dit is een soort die min of meer gebonden is aan zandbodems en vooral voorkomt nabij de laagwaterlijn. In de Oosterschelde is deze onlangs voor het eerst waargenomen, maar langs de Noordzeekust is de soort de laatste jaren al zeer sterk toegenomen. Daar worden de dieren vooral in de zomer bij laagwater massaal door kinderen gevangen met garnalennetjes in muien en getijdenpoelen achter zandbanken

 

Oost-Atlantische nieuwkomers in de Oosterschelde

Exoten_02Na 1978 hebben zich 37 Oost-Atlantische nieuwkomers in de Oosterschelde gevestigd (51% van deze soorten verscheen pas na 2000). Het gaat hierbij om soorten die zowel ten zuiden als ten noorden van de Nederlandse kustwateren zijn waargenomen, maar nog niet eerder in de Oosterschelde. Het is waarschijnlijk dat deze soorten grotendeels zijn aangevoerd met mosselzaad, met name vanuit de Ierse zee. Voor de meeste soorten uit deze groep geldt dat hun aantallen laag blijven. Bovendien is de kans groot dat een soort uit deze groep na verloop van enkele jaren weer verdwijnt. 43% van deze soorten werd in 2005 niet meer in de Oosterschelde teruggevonden. Voor de exoten en zuidelijke nieuwkomers ligt dit percentage op respectievelijk 13% en 25%. Het gaat vaak om soorten waarvan de larven ook al van nature bij ons zouden kunnen komen, maar zich hier niet of nauwelijks kunnen voortplanten. De soorten die nu wel blijven, profiteren waarschijnlijk van de veranderde milieuomstandigheden die zijn gecreëerd door de aanleg van de Deltawerken. Daarbij is waarschijnlijk de belangrijkste factor dat veel minder zoet water via het Volkerak op de Oosterschelde wordt geloosd dan voorheen, waardoor het zoutgehalte van het water hoger en stabieler is geworden en het estuariene karakter van de Oosterschelde is afgenomen. Het milieu is daarmee dus geschikter geworden voor soorten die afhankelijk zijn van een stabiel en/of hoog zoutgehalte. Twee Oost-Atlantische diersoorten die vorig jaar pas voor het eerst in Nederland werden waargenomen zijn de Dwergzijker (hier als nieuw geïntroduceerde Nederlandse naam voor Molgula complanata) en de Ingegegraven slangster (Amphiura brachiata). Beide zijn nu algemeen aanwezig. De Ingegraven slangster, leeft ingegraven in de bodem en steekt zijn zeer lange en dunne, stekelige armen boven het zand uit. Dwergzijkers zijn een halve centimeter grote zakpijpjes met de vorm van kleine grijze besjes. De soort lijkt sterk op de Zijker Molgula manhattensis, een van oudsher uit Nederland bekende zakpijp. Voor dieren die vastgehecht leven op een vaste ondergrond (sesiele organismen), zoals sponzen, zakpijpen en zee-anemonen, geldt dat ze constant met elkaar in strijd zijn om substraat te veroveren. Een nieuwe soort als de Dwergzijker, waarvan in 2005 in Nederland al populaties van duizenden exemplaren werden gevonden, zal daarom mogelijk de oorspronkelijke bewoners beconcurreren.