Search
Search

Soorten

Vleet

Dipturus flossada

(Risso, 1826)

Vleet
Vleet-onbepaald welke soort (Uit: Francis Day, 1829-1889)


Zoekbeeld

Mariene vissoort. Sterk afgeplat, ruitvormig lichaam met hoekige, aan de kop vergroeide borstvinnen. De grote Flapperrog/-vleet wordt 200 cm (tot 285 cm). De 'gewone' Vleet D. flossada blijft een stuk kleiner, tot 140 cm. Rug olijfgroen tot bruin, met lichte ronde en ovale gele vlekken. Jonge exemplaren vaak met twee donkerdere ronde vlekken (oogvlekken) op de borstvinnen. Met de jaren wordt de eerst donkere onderkant steeds lichter. Snuit lang en spits. De twee afgeronde rugvinnen staan ver achter op de staart en zijn duidelijk gescheiden. Nauwelijks of geen staartvin. Buikvinnen tegen de staartbasis met ook twee lobvormige uitsteeksels. Ogen en spuitgaten (spiraculi) voor op de kop. Mond, neusgaten en vijf paar kieuwspleten aan de buikzijde. Jonge vleten zonder stekels op de lichaamsschijf, maar wel vaak bij de ogen. Volwassen vleten hebben doornachtige stekels op de rug en deels op de buik. Midden op de smalle, puntige staart een rij van 12-18 sterke stekels. Vaak ook kleinere stekels langs de onderkant van de staart. Tussen de twee rugvinnen meestal 1-2 stekels. Zeldzaam in de Nederlandse Noordzee.

Te verwarren met

Waarnemingen van 'de Vleet' hebben betrekking op twee verschillende soorten: Dipturus flossada (Risso, 1826) Vleet (gewone) en de veel grotere 'Flapperrog' Dipturus intermedia (Parnell, 1837).

Kenmerken

Afmeting: De grote Flapperrog/-vleet wordt 200 cm (tot 285 cm). De 'gewone' Vleet D. flossada blijft een stuk kleiner, tot 140 cm. 
Kleur: Bovenzijde olijfgroen tot bruin, met een gevarieerd patroon van lichte ronde en ovale gele vlekken. Jonge exemplaren hebben meestal twee donkerdere ronde vlekken (oogvlekken) op de borstvinnen. Ook is bij jonge dieren de onderkant aanvankelijk zwart. Met de jaren wordt deze steeds lichter: bij volwassen dieren is deze grijs met kleine zwarte stipjes. Tussen D. intermedia en D flossada bestaat o.a. ook verschil in de oogkleur: bij de eerste is de iris olijfgroen, bij de tweede geel.
Vorm: Groot, sterk afgeplat, ruitvormig lichaam, met een puntige snuit en hoekige zijkanten, gevormd door twee aan de kop vergroeide, aan de uiteinden hoekige borstvinnen. Als van de punt van de borstvin naar de snuitpunt een rechte lijn wordt getrokken, snijdt deze de lichaamsschijf niet. De staart is lang en smal en loopt puntig toe. De snuit is opvallend lang en spits. De ogen zitten aan de bovenzijde, voor op de kop, evenals de spuitgaten (spiraculi). Mond, neusgaten en vijf paar kieuwspleten bevinden zich aan de buikzijde.
Vinnen: De twee rugvinnen zijn afgerond, staan ver naar achteren op de staart en zijn duidelijk gescheiden van elkaar. Er is niet of nauwelijks een staartvin aanwezig. De buikvinnen liggen tegen de staartbasis aan. Tot de buikvinnen behoren ook twee lobvormige uitsteeksels.
Huid/Stekels: Jonge vleten hebben geen stekels op de lichaamsschijf, maar wel vaak grote stekels bij de ogen. Volwassen dieren hebben zowel op de rug als deels op de buik doornachtige stekels. Midden op de staart staat een rij van 12-18 sterke stekels. Er komen vaak ook kleinere stekels voor langs de onderkant van de staart, terwijl ook tussen de twee rugvinnen meestal 1 of 2 stekels voorkomen.
Tanden: In de bek liggen 40 tot 56 rijen tanden.
Opmerking: Nu recent onderzoek aantoonde dat 'de Vleet' uit een soortcomplex bestaat van Dipturus flossada ('Gewone Vleet of Blauwe vleet) en de grote Diptura intermedius (Flapperfleet of Flapperrog), zal de vanouds gebruikte naam Diptura batis  vermoedelijk vervallen of gebruikt worden voor de grootste soort.

Habitat en ecologie

Vleten leven op grotere diepten. Ongeveer tusen 30-600 meter. Ze worden pas na 10-11 jaar geslachtsrijp, bij lengtes vanaf 150 cm (mannetjes) en 180 cm (vrouwtjes). Vleten jagen zowel 's nachts als overdag. Het voedsel bestaat uit kreeftachtigen, inktvis en vooral uit dIverse vissoorten, waaronder ook meerdere roggensoorten. De prooi wordt vaak van onderaf gegrepen, waarbij de Vleet zich er omheen plooit en de prooi meesleurt naar de bodem. De soort is ovipaar en zet eikapsels af met steeds één embryo. De eieren worden inwendig bevrucht. Vrouwtjes broeden om het jaar. Ze paren in de lente. In de zomer worden tot ongeveer 40 eikapsels afgezet op een zand- of modderachtige bodem, vaak tussen stenen. In de eikapsels ontwikkelen de embryos zich gedurende 2-5 maanden, waarna ze uitkomen bij een lengte van 21-22 cm. De soort is vanwege de grote afmetingen, de langzame groei en ontwikkeling tot geslachtsrijpheid en de lage voortplantingscapaciteit, sterk afgenomen en ernstig bedreigd. (Zie voor de vorm van de eikapsels de aparte beschrijving.)


Areaal en verspreiding

Vleten waren vroeger vrij algemeen in het hele noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, met een verspreidingsgebied dat liep tot in de Middellandse Zee. Voornamelijk als gevolg van de visserij zijn Vleten inmiddels bijna verdwenen uit de Middellandse Zee, Noordzee en rondom de Britse eilanden, met uitzondering van de Ierse Zee, het Kanaal van Bristol en het gebied ten noordwesten van Schotland en de Keltische Zee. Langs de Nederlandse kust uiterst zeldzaam.       

Trends

De Vleet is door visserij zeer sterk afgenomen in de Noordzee. Eikapsels van de Vleet zijn na 1962 niet meer aangetroffen.

Bedreigingen/Bescherming:
Stond in 2004 nog niet op de Nederlandse Rode Lijst. In 2015 opgenomen in de categorie 'Verdwenen'. Op de internationale Rode Lijst van de IUCN vermeld als 'Critically endangered' (Ernstig bedreigd). Sinds 2009 beschermd door de Europese Raad in ICES-gebieden IIa, IIIa, IV, VIIa-k, VIII and IX. De soort mag door commerciële (en andere) vissers niet worden gevangen, er geldt een absolute, onmiddelijke terugzetverplichting.

Literatuur

  • Nijssen, H., 2010. Zeevissen. KNNV-Veldgids nr. 14. Utrecht, Stichting Uitgeverij KNNV. 160 pp.
  • Nijssen, H. & S. J. de Groot, 1987. De vissen van Nederland. Uitg. KNNV, Utrecht. nr. 42. 224 pp.
  • Redeke, H.C., 1941. Fauna van Nederland. Afl. X: Pisces (Cyclostomi-Euichthyes) (Ti-Tii). 1-331. Sijthoff, Leiden.

Code


Auteurs

A.W. Gmelig Meyling (jan. 2014)
[W. Vlierhuis, feb 2014; IvL. 2014, IvL/RHB juni 2018]


Categorieën:

Soorten, Vissen

Commentaar

Vleet

Grafieken

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

  • Inventarisaties
  • Beheeradviezen 
  • Monitoring
  • Exoten

Mariene soorten en ecologie

  • Educatie
  • Artikelen
  • Exoten

 

 

Steun ANEMOON

  • Met een donatie
  • Met waarnemingen
  • Met foto's 
  • Met locatie-omschrijvingen
  • Met maken van artikelen
  • Met organiseren activiteiten

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

 

 

Back To Top