Profiel
Profielschets van Nederlands grootste terrestrische huisjesslak
Wijngaardslak Helix pomatia Linnaeus, 1758.
Auteur: R.H. de Bruyne. Datum: 20-1-2007. Aangepast overgenomen uit ANEMOON-rapportnr: 2007-07 (zie literatuurlijst)
Kennismaking met de Wijgaardslak
De Wijngaardslak Helix pomatia Linnaeus, 1758, is Nederlands grootste landslak. De dieren hebben een slakkenhuis dat tot 5 cm groot kan worden, maar de meeste exemplaren zijn ongeveer 3,5 cm. Vooral in de herfst bij vochtig weer loont het de moeite om op zoek te gaan naar deze soort. Dat kan in oude bossen rond landhuizen en kastelen, in diverse duingebieden en (vooral) in Limburg. In Limburg is de soort plaatselijk algemeen en is het voorkomen van de soort autochtoon, op veel andere plaatsen is de soort, vaak al in vroeger eeuwen, ingevoerd. Alle waarnemingen van deze middels de Flora en Faunawet en de Habitatrichtlijn beschermde soort zijn zeer welkom. Stichting ANEMOON probeert de hele Nederlandse verspreiding van de soort in kaart te brengen en te volgen.
De grote jongens zijn vaak al snel gevonden, maar let ook eens op of u kleintjes ziet. Misschien ziet u ze zelfs wel uit hun broedholen omhoog kruipen, waarin ze net eieren hebben gelegd.
Korte Profielschets
| A |
B |
|---|---|
| Stam: | Mollusca – Weekdieren |
| Klasse: |
Gastropoda – (huisjes-)slakken |
| Orde: |
Stylommatophora |
| Familie: |
Helicidae |
| Soort: |
Helix pomatia |
| Nederlandse naam: |
Wijngaardslak |
| Beschrijver en jaar: |
Linnaeus, 1758 |
| Afmeting (schelp): |
Tot 50 mm |
| Afmeting (dier): |
Kruipend tot ruim 100 mm lang (25 tot 45 gram vlees) |
| Kleur (dier): |
Lijf oranjebruin tot grijs van kleur met soms kleine lichtere vlekjes |
Kleur (schelp): |
Geelbruin met min of meer duidelijke, vaak onderbroken donkerbruine spiraalbanden |
| Voorkomen: |
Limburg; elders verspreid. Historische populaties in duinstreek. Elders locaal als ‘stinzensoort’ en anderszins door de mens verspreid. Soms eeuwenoude populaties |
| Ecologie: |
Kalkrijke gebieden. Duinen. Loof- en gemengd bos. Buitenplaatsen |
| Functie: |
Voedsel voor vogels en zoogdieren, kalkbron (bodem, vogeleieren) |
| Status: |
Beschermd (Flora en Faunawet; habitatrichtlijn); Rode Lijst: kwetsbaar. Op meerdere oude vindplaatsen achteruit gegaan, bedreigd of verdwenen |
Bedreigingen: |
Illegaal verzamelen voor consumptie en (vooral) biotoopvernietiging, cultivering en schoonhouden van parken, versnippering door aanleg van wegen e.d. |
| Consumptie: |
Eetbaar: in de handel onder meer bekend onder de namen: “Escargot”; “Roman snail”; “Burgundy snail” en “Escargot de Bourgogne” |
Habitat
De dieren leven op kalkrijke, vochtige bodem, met vaak rijke plantengroei. Anders dan de naam aangeeft, komen ze niet alleen in wijngaarden voor, maar ook in bos (vooral aan bosranden), wegranden, parken, tuinen en in duingebied. In Nederland komt de soort vooral voor in Zuid-Limburg, in oude bossen en op diverse plaatsen in de duinen. Daarnaast zijn er door het hele land diverse verspreid gelegen vindplaatsen; vooral nabij landgoederen en kasteeltuinen. De dieren zijn daar soms al eeuwen geleden bewust uitgezet. In die gevallen kan de Wijngaardslak ter plaatse een 'stinzensoort' worden genoemd.
Historie van het voorkomen
De Wijngaardslak komt van oorsprong autochtoon voor beneden de lijn Elsloo-Heerlen (Limburg). Het autochtone verspreidingsgebied sluit aan bij dat in Midden en Oost-België, Duitsland, Luxemburg, Zwitserland en Frankrijk als noordwestelijke uitloper van het Zuidoost- en Midden Europese verspreidingsgebied. Limburg wordt gezien als de noordgrens van het natuurlijke areaal vóórdat de mens zijn stempel op het landschap ging drukken. Butot (1975) behandelt het tot dan toe bekende voorkomen in Limburg.
Voorkomen vóór de Romeinen of Spanjaarden
Lange tijd werd getwijfeld of de wijngaardslak ook vóór de komst van de Romeinen in onze streken leefde. Er waren geen bodemvondsten bekend waaruit een vroeger voorkomen kon worden afgeleid. Zoals ook een Engelse naam (Roman Snail) aangeeft, werd wel gedacht aan de Romeinen als mogelijke importeurs van de Wijngaardslak uit zuiderlijker streken. Het verhaal wil dat op de tocht van Napoleon naar Rusland de soldaten de wijngaardslakken meegekregen zouden hebben als -op een natuurlijke wijze ingeblikt- voedsel. Het voorkomen op de buitenplaatsen rond Haarlem is ook wel toegeschreven aan de Spanjaarden. Weber (1919) nam aan dat de dieren door Spanjaarden geïmporteerd werden, omdat de slak in de omtrek van Haarlem Caracolle heet, een Spaanse naam. De huidige Spaanse naam is Caracol de la Viña of Caracol de la Borgoña. Het Franse Escargot (Escargot de Bourgogne of Escargot vigneron) is afgeleid van die Spaanse naam. De Zuid-Nederlandse namen caracol, karakol of karkol zijn eveneens van caracol afgeleid. Latere bodemvondsten uit Limburg en Noordwest-Duitsland toonden echter toch aan dat de soort ook vóór de Romeinen al in onze streken leefde (Butot, 1975).
Voorkomen buiten Limburg
Gewoonlijk wordt aangenomen dat de dieren direct of indirect door de mens zijn ingevoerd op alle plaatsen buiten Limburg waar ze vroeger en (deels) nu nog steeds voorkomen. In diverse provincies leven al eeuwen populaties van de soort, waarmee ze ruimschoots voldoen aan de definitie van ‘ter plaatse ingeburgerd’. Herklots (1859) schrijft: “…..op de meeste plaatsen, waar zij gevonden werd, kan men nog nagaan, dat zij ingevoerd is geworden en later om zoo te zeggen verwilderd. Als zoodanig moge zij hier hare plaats beslaan…..” Er bestaan diverse goed gedocumenteerde meldingen van voorkomens buiten Limburg. Bekend zijn onder andere oude populaties uit Friesland, waarvan sommigen teruggaan tot 1897. Veel populaties waren al in de jaren zeventig van de vorige eeuw uitgestorven of ‘zeer bedreigd’ (Butot, 1970a). Hetzelfde geldt voor populaties uit Noord-Brabant, Zeeland en Utrecht (Butot, 1973a) en populaties in de oostelijke en noordelijke provincies van Nederland, met meldingen van historische populaties teruggaand tot 1822 en 1897 (Butot, 1974). In meerdere gevallen gaat het om populaties van landgoederen en andere ‘buitens’ waar de soort door de bewoners zou zijn ingevoerd, al dan niet bewust of met planten van elders (stinzensoort). Daarnaast zijn er oude proefkwekerijen van meerdere lokaties bekend. In verreweg de meeste gevallen zijn de betreffende populaties inmiddels verdwenen of, in de terminologie van Butot (1973a), ‘zeer verzwakt’.
Voorkomen in de Hollandse duingebieden
In de duinstreek komen meerdere bekende, historische, populaties voor. Beroemd en historisch gezien belangrijk is de populatie uit ‘s Gravenhage, die ten minste al sinds 1656 in de Zuid-Hollandse duinen voorkomt. Cats maak melding van de soort in zijn bundel ‘Hofgedachten” (gedicht nr VII). Deze populatie rondom het voormalig buiten van Cats bestaat nog steeds, mede dankzij de ligging in beschermd natuurgebied (Butot, 1970b, 1973b). Een tweede belangrijke historische populatie uit de Hollandse duinstreek’, is de populatie uit Kennemerland, waarover Nicolaas Beets, onder het Pseudoniem Hildebrand, schreef in de ‘Camera Obscura’ (De Bruyne & Van Lente, 2006).
Voedsel
Wijngaardslakken leven voornamelijk op de bodem op of in de strooisellaag. Zo nu en dan zijn de dieren ook te vinden op de stam van bomen of –meestal jongere dieren- op bladeren van grotere plantensoorten. De dieren voeden zich met alle mogelijke plantaardige stoffen die in de natuur te vinden zijn. Paddestoelen en schimmels, zoals bijvoorbeeld door veel naaktslakkengegeten, staan zelden of nooit op het menu van de Wijngaardslak. De dieren eten vooral verse, sappige plantendelen. Ondanks uitvoerig testen, kon geen nadrukkelijke voorkeur voor een bepaalde plantensoort worden ontdekt. Omdat de soort nooit in grote aantallen optreedt, zoals wel het geval kan zijn bij familielid Helix (Cornu) aspersa –de Segrijnslak-, wordt de Wijngaardslak zelden of nooit als schadelijk gezien.
Leeftijd
Anders dan de meeste andere inheemse landslakken, die eenjarig zijn of hoogstens 2 jaar oud worden, kan de Wijngaardslak 5 tot 8 jaar worden (in gevangenschap zelfs nog ouder).
Seizoensperiodiciteit
In het najaar overwinteren Wijngaardslakken, vaak in een winterverblijf onder de grond, waarbij ze de mondopening van hun huisje afsluiten met een kartonachtig kalkplaatje (het epiphragma). In het voorjaar, bij een temperatuur van 8 graden met vochtig weer, kruipen ze uit hun hol. Ze zijn dan tot 15% van het lichaamsgewicht dat ze voor de winterslaap hadden, kwijt. Maar door opname van water en voedsel komt dat er binnen een paar weken weer bij. In de periode mei-juli zoeken ze partners en wordt er veelvuldig gepaard. Zoals de meeste slakken zijn Wijngaardlakken tweeslachtig (hermafrodiet); ze hebben zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Aan zelfbevruchting doen ze overigens niet. Ze zoeken altijd een partner en bevruchten elkaar wederzijds. Gedurende het voorjaar en de zomer zijn in het leefgebied van de dieren (vooral de duinen en Limburg) regelmatig paringen van elkaar omstrengelende dieren waar te nemen.
Liefdesspel
Wijngaardslakken zijn, zoals de meeste weekdieren, traag. De kans dat ze veel partners tegenkomen is klein. Dan is tweeslachtigheid handig. Komen ze een paringsbereide partner tegen, dan kunnen ze elkaar wederzijds bevruchten. Helemaal toevallig treffen ze elkaar niet; in de kop zit een geurklier met lokstoffen. Wanneer twee slakken elkaar ontmoeten, betasten ze elkaar met de voelhorens (ze hebben er elk vier) en met het voorste deel van hun lichaam. Dan begint het voorspel, waarbij ze zich hoog oprichten, waarbij hun kruipvoeten (dat deel waarop slakken kruipen) tegenover elkaar liggen. In opgewonden toestand drukken ze elkaar stevig tegen zich aan, waarbij de voetzolen elkaar uiterst beweeglijk befriemelen en ze elkaar ook met de monddelen betasten. Na een tijdje ingespannen verstrengeld heen en weer wiegen, zakken ze uitgeput weer naar de bodem, Maar na een rusttijd begint het liefdesspel opnieuw. Hoewel de daadwerkelijke bevruchting relatief kort duurt, kan het hele liefdesspel soms wel 20 uur duren. Op een gegeven moment wordt soms door één partner een scherpe 7-11 mm lange kalkpijl, de zogenaamde liefdespijl, in het lijf of de voetzool van de ander geschoten. De gestoken partner wordt hierdoor sterker opgewonden, maar vaak revancheert hij/zij zich door eveneens een pijl af te schieten. De pijlen blijven steken in de partner. In de pijlzak worden later weer nieuwe pijlen aangemaakt. Niet altijd worden bij de paring pijlen afgezet; soms is de tijd tussen paringen te kort om al nieuwe pijlen te kunnen hebben gevormd. Hoewel lang gedacht is dat het pijlprikken alleen ter stimulatie dient, is uit recent onderzoek gebleken dat met de liefdespijl ook een hormoonstof in de ander wordt overgebracht. Op een gegeven moment komt uit beider geslachtsopeningen een melkwitte penis te voorschijn, die ze om elkaar heen kronkelen, om vervolgens in de vrouwelijke geslachtsopening van de partner te verdwijnen. Tijdens de paring worden zaadpakketjes (spermatofora) aan de partner overgedragen. Na deze eigenlijk paring, die hoogstens een kwartier duurt, trekken beide partners zich terug, waarna het nog enkele uren kan duren voordat de uitgestulpte penis weer geheel is ingetrokken. Relatief snel na afloop kunnen de slakken weer tot paring met een nieuwe partner overgaan.
Van ei tot babyslak
Zo'n maand na de paring volgt de ei-afzetting. Het ouderdier kan lange tochten maken om een geschikte legplaats te vinden. Eenmaal op een geschikte plek, wordt een 4-6 cm diep holletje in niet te vochtige aarde gegraven. Dat gebeurt door draaiende bewegingen met het voorlichaam te maken, waarbij ook de schelp soms meedoet. Dat broedhol is van onderen rond, en versmalt zich naar boven toe in een smalle ingang. Afhankelijk van de ouderdom van de ouder, worden tot 50 kogelronde, melkwitte eieren als kleine, 6 mm grote knikkertjes in het hol afgezet. De eieren worden afgezet met tussenliggende pauzes van 15 tot 30 minuten. Uiteindelijk kan het 20-30 uur duren voordat een legsel helemaal klaar is. Tijdens deze periode wordt het broedhol niet verlaten. Na sluit het dier de opening met aardkruimels en blaadjes af en verdwijnt. Echte broedzorg komt bij de Wijngaardslak niet voor. Na zo'n 25 dagen komen de eieren uit. De minislakjes hebben al een klein, flinterdun, witachtig huisje en blijven eerst nog 10 tot 14 dagen in het holletje. Daarbij eten ze onder meer de restanten van de eierschalen op, waarmee ze de kalk, benodigd voor de verdere groei van het huisje, eveneens tot zich nemen. Wanneer de eieren niet allemaal tegelijk uitkomen, eten de eerst uitgekomenen soms ook de nog niet uitgekomen eieren op (eierkannibalisme). Als de jongen eenmaal boven de grond komen, ze moeten zich door de aarde heen-eten, is het huisje geelbruin van kleur. De dieren klimmen vervolgens zo snel mogelijk omhoog in de plantenbegroeiing, want jonge dieren met hun flinterdunne huisje vormen een dankbare prooi voor roofkevers, mieren en andere roofinsecten. In de periode tot aan de winter vreten ze zich zo vol mogelijk. Ze kunnen in korte tijd afmetingen tot 10 mm bereiken en drie nieuwe windingen of omgangen aan hun huisje toevoegen. De dieren zijn pas geslachtsrijp na de tweede overwintering, bij een grootte van ca 40 mm. Overigens bereikt nog geen 5% van de jonge slakjes die in september tot aan de winter te zien zijn, de volwassen leeftijd.
Bescherming
De Wijngaardslak heeft in Nederland een beschermde status. Anders dan de andere beschermde weekdieren (Nauwe korfslak, Zegge-korfslak, Stroommossel en Platte schijfhoren), is de soort niet echt zeldzaam en is ze in haar verspreiding niet beperkt tot bijzondere biotopen. De bescherming van de Wijngaardslak door plaatsing in bijlage 5 van de Europese Habitatrichtlijn, heeft vooral te maken met de eetbaarheid van de soort. Al in de Romeinse tijd gold de soort als delicatesse en ook tegenwoordig watertand menige gourmand bij een maaltje slakken. In knoflookboter, gestoofd of gekookt of op andere wijze klaargemaakt. Verzamelen in het wild mag echter niet. Er zijn speciale slakkenfarms, waar de soort voor consumptie gekweekt wordt; samen met –steeds meer- het iets kleinere, onbeschermde, familielid de Segrijnslak.
Binnen het Atlasproject Nederlandse Mollusken (ANM) en in het bijzonder het 'HabSlak-project’ (mollusken van de Habitarichtlijn) van stichting ANEMOON, wordt speciale aandacht aan deze en andere zeldzame en beschermde soorten besteed (http://www.anemoon.org/habslak). Behalve inventarisatieplannen, zijn er ook plannen gemaakt voor monitoring (het in de tijd volgen van het voorkomen in Nederland).
Literatuur
Bank, R. A. & L. J. M. Butot, 1980. Over wijngaardslakken in Haarlem, Bloemendaal en Heemstede. Corresp.-blad Ned. Malac. Ver. 195: 1035 - 1038.
Benthem Jutting, W.S.S. van, 1933. Mollusca (I) A. Gastropoda, Prosobranchia et Pulmonata. Fauna van Nederland VII. Sijthof, Leiden 387 p.
Boon, B., 1903. Pothoofddieren. De Levende Natuur 7: 237-238.
Bruyne, R.H. de, H. Wallbrink & A.W. Gmelig Meyling, 2003. Bedreigde en verdwenen land- en zoetwatermollusken in Nederland (Mollusca). Basisrapport met voorstel voor de Rode Lijst. European Invertebrate Survey Nederland (EIS), Leiden & Stichting ANEMOON, Heemstede. 88 pp.
Bruyne, R.H. de en I. van Lente, 2006. De Wijngaardslak, een historische populatie in Kennemerland. ANEMOON rapport: 2006-12. 23 pp.
Bruyne, R.H, de, 2007. Profielschets van Nederlands grootste terrestrische huisjesslak: de Wijngaardslak Helix pomatia Linnaeus, 1758. Rapportnr: 2007(07). Stichting ANEMOON. Heemstede
Butot, L.J.M., 1970a. Geschiedenis en stand van de Wijngaardslak in Friesland. De Levende Natuur (R.I.N.-bericht nr 3) 73 (02): 40 - 46; feb 1970.
Butot, L.J.M., 1970b. De Wijngaardslakken, Sorghvliet en Jacob Cats. Corresp.-blad Ned. Malac. Ver. 139: 1567 - 1570.
Butot, L.J.M., 1972. De geschiedenis en de verspreiding van de Wijngaardslak langs de duinzoom. De Levende Natuur (R.I.N.- bericht nr 30) 75 (02): 29 - 40; feb 1972.
Butot, L.J.M., 1973a. De geschiedenis en de verspreiding van de Wijngaardslak in de beide Hollanden, Noordbrabant, Zeeland en Utrecht. De Levende Natuur (R.I.N.-bericht nr 51) 76 (07/08): 166 - 179; jul/aug 1973.
Butot, L. J. M., 1973b. De geschiedenis en de verspreiding van de Wijngaardslak in ‘s-Gravenhage. De levende Natuur 73: 275-282 (R.I.N.-bericht nr 20)
Butot, L.J.M., 1974. De geschiedenis en de verspreiding van de Wijngaardslak in de oostelijke en noordelijke provincies van Nederland. De Levende Natuur (R.I.N.-bericht nr 59) 77 (07/08): 166 - 181; jul/aug 1974.
Butot, L.J.M., 1975. De Wijngaardslak in Limburg. Bericht nr 63 van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Leersum. (Tevens: publicaties van het Natuurhistorisch genootschap in Limburg. Reeks XXV. Afl. 2 en 3, gepubliceert in maart 1976). 23 pp.
Heimans, E., 1923. Paschen aan de Pietersberg. De Levende Natuur 28: 35-46.
Herklots, J.A., 1859. Natuurlijke historie van Nederland. De dieren van Nederland. Weekdieren. Haarlem 466 pp.
Hubert, B., 1966. De paringsbiologie van de Wijngaardslak. Natuur en techniek 34: 181-183.
Kleyn, H., 1899. Brederode. De levende Natuur 4: 66-67.
Linden, P.J.H. van der & C. Achterberg, 2006. Brederodelaan; effecten van verkeerstoename. Els & Linde, proj. 06.020. 19 pp.
Sparrius, L.B. & N. Buiten, 2006, Mossen en korstmossen in de duinbossen van Schapenduinen en Caprera, binnen de Speciale Beschermingszone Kennemerland-Zuid, in een smalle strook aan weerszijden van de Brederodelaan. BLWG rapport 2006.01. BLWG, Gouda.
Waardenburg, H.G., 1827. Commentatio Historia Naturalis animalium molluscorum regno belgico indigenorum. Annales Acad. Lugduno- Batavae 1826-1827. Leiden 62 pp.
Weber, M., 1919. Beschouwingen over de fauna van Nederland. Bijdr. Dierk. Feestnummer Kerbert, 21: 175-193.

