Search
Search

Flora en Fauna soorteninformatie

 
Zoeken
 
 
Zoeken


Gebied
Biotoop
Project

 
   
 
Groepen
 
 
Sponzen
Neteldieren
Ribkwallen
Ringwormen
Borstelwormen
Hoefijzerwormen
Snoerwormen
Kelkwormen
Platwormen
Weekdieren
Zeespinnen
Kreeftachtigen
Mosdiertjes
Stekelhuidigen
Zakpijpen
Vissen
Reptielen
Zoogdieren
Vaatplanten
Roodwieren
Groenwieren
Bruinwieren
Zeevogels
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 657 items in 33 pages
ZoekbeeldKenmerken
 
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 657 items in 33 pages
Zeewolf
Anarhichas lupus


Lees verder...
Zeewolf
Anarhichas lupus
Mariene vissoort (zeevis). Grote, langwerpige vis. Tot 160 cm worden. Rug blauwgrijs, flanken groenbruin met donkere verticale banden. Stompe kop met een grote bek met krachtige kaken. Vooraan in de bek lange, stevige tanden., achteraan stompe tanden. Rugvin lang, anaalvin eveneens. Brede borstvinnen. Geen buikvinnen, kleine staartvin. Langs de Nederlandse kust zeldzaam, nu en dan jonge dieren.

Lees verder...
Anarhichas lupusMariene vissoort (zeevis). Grote, langwerpige vis. Tot 160 cm worden. Rug blauwgrijs, flanken groenbruin met donkere verticale banden. Stompe kop met een grote bek met krachtige kaken. Vooraan in de bek lange, stevige tanden., achteraan stompe tanden. Rugvin lang, anaalvin eveneens. Brede borstvinnen. Geen buikvinnen, kleine staartvin. Langs de Nederlandse kust zeldzaam, nu en dan jonge dieren.Grote vis met een stompe kop met een grote bek met krachtige kaken en grote tanden. Kan tot 160 cm worden. Blijft echter meestal kleiner. Rugzijde blauwgrijs, flanken groenbruin met daarop 9-12 donkere verticale banden die tot in de rugvin kunnen doorlopen. Er zijn echter ook meer roodbruine en bijna zwarte dieren. Vooraan in de bek 4-6 lange, stevige, conische tanden. Achteraan in de bek stompe tanden. Rugvin lang, anaalvin eveneens, beide niet met de staartvin verbonden. Brede borstvinnen. Geen buikvinnen, kleine staartvin. Vinstralen in de rugvin  69-79, in de anaalvin 42-48. Noordelijke Atlantische Oceaan. Ook in de Westelijke-Atlantische Oceaan,van Labrador, via Newfoundland tot Cape Cod in Massachusetts. komt onder meer voor in de Barentszee, bij IJsland, langs de zuidelijke kusten van Groenland en kust van Noorwegen, tot in het Kattegat en Skagerrak. Plaatselijk ook in de Oostzee. Verder verspreid rondom de Britse eilanden, in de Noordzee en langs de Atlantische kust van Frankrijk en Spanje (Golf van Biskaje). Langs de Nederlandse kust zeer zeldzaam, voornamelijk jonge dieren. Hoewel de soort (nog) niet als bedreigd op de internationale Rode Lijst van de IUCN staat, nemen de aantallen in rap tempo af door overbevissing.Een vis van dieper, kouder water, gewoonlijk met een temperatuur van  −1 tot 11 °C. Het bloed zou natuurlijk antivries bevatten. De dieren leven solitair op de zeebodem op plaatsen met hard substraat, grint en hard zand met schelpfragmenten. Komt voor op diepten tussen 20 en 500 m. Het voedsel bestaat uit schelpdieren, kreeftachtigen en stekelhuidigen. De lange tanden worden gebruikt om de prooidieren te pakken of uit te graven en de stompe tanden om ze te kraken tussen tanden en gehemelte. Ook stevige huizen van grote slakken als Noordhoren en Wulk worden gekraakt, waarbij zowel de slakken als de eventueel aanwezige heremietkreeft worden gegeten. Grote tweekleppigen staan eveneens op het menu.  Anders dan bij verreweg de meesta andere vissen, woden de tanden ieder jaar gewisseld. De paaitijd valt tussen oktober en januari. De vrouwtjes zetten tot 25.000 eieren af. De mannetjes bewaken de eierklompen tot ze uitkomen. De dieren zijn geslachtsrijp bij afmetingen rond de 60 cm. Ze kunnen tot 22 jaar worden. 126758SoortenalbumNederlandZoutwater 
Zeggekorfslak
Vertigo moulinsiana


Lees verder...
Zeggekorfslak
Vertigo moulinsiana
Terrestrische (Land-) huisjesslak. Tot 3 mm. Bruingeel tot roodbruin. Huisje (horentje) tonvormig, met 4-5 vrijwel gladde windingen. In de mondopening tot 5 tandplooien. Het horentje is rechtsgewonden (sommige andere korfslakken zijn linksgewonden). Leeft in moerasgebieden, in oeverzones en broekbossen met een dichtbegroeide tot ijle ondergroei van o.a. Zeggenplanten, zoals de Moeraszegge <em>Carex acutiformis</em>. Europees beschermde soort (Habitatrichtlijn).

Lees verder...
Vertigo moulinsianaTerrestrische (Land-) huisjesslak. Tot 3 mm. Bruingeel tot roodbruin. Huisje (horentje) tonvormig, met 4-5 vrijwel gladde windingen. In de mondopening tot 5 tandplooien. Het horentje is rechtsgewonden (sommige andere korfslakken zijn linksgewonden). Leeft in moerasgebieden, in oeverzones en broekbossen met een dichtbegroeide tot ijle ondergroei van o.a. Zeggenplanten, zoals de Moeraszegge Carex acutiformis. Europees beschermde soort (Habitatrichtlijn).Afmetingen: 3 x 1,6 mm
Schelpkleur: Bruinrood tot geelbruin.

Schelpvorm: Tonvormig horentje met tot vijf geleidelijk in grootte toenemende windingen. De mondrand is een weinig teruggeslagen/verdikt. In de mondopening zitten 4-5 tandvormige plooien. Het huisje is rechtsgewonden (sommige andere Nederlandse korfslakken, zoals de Nauwe korfslak Vertigo angustior zijn linksgewonden: daar zijn de windingen spiegelbeeldig gedraaid en zit als men de top boven houdt, de mondopening links).
Sculptuur: het oppervlak is glad, met alleen groeilijnen.
Overig: Maximale afmetingen tot 3 mm, daarmee de grootste Nederlandse soort korfslak.
Status: Kwetsbaar (Nederlandse rode lijst)

 

Atlantisch-Zuid-Europees. De Zeggekorfslak komt in vrijwel alle landen van de EU voor, maar het gaat steeds om kleine, zeer plaatselijke populaties. Gevonden tot in de zuidelijkste delen, met o.a. waarnemingen van de Griekse eilanden. In het noorden tot in het noorden van Polen, Denemarken, het zuidelijkste deel van Zweden, Noord-Duitsland en Noord-Nederland. In Groot-Brittannië liggen de noordelijkste vindplaatsen ten zuiden van Liverpool. De heersende opvatting is dat de Zeggekorfslak een mediterrane soort is, die tijdens warme perioden tussen de ijstijden naar het noorden migreerde langs de oostelijke en westelijke zijde van het Alpenmassief. Als gevolg van het kouder wordende klimaat tijdens het Subatlanticum (700 v. Chr. tot 1100 n. Chr.) is het verspreidingsgebied uiteengevallen in een aantal over Europa versnipperd gelegen vindplaatsen, waar de soort zich tot op heden heeft kunnen handhaven. Vooral in Groot-Brittannië en Duitsland kunnen populaties zich over grote gebieden uitstrekken.

Voorkomen in Nederland: De meeste populaties in ons land omvatten slechts enkele tientallen, hooguit enkele honderden vierkante meters. Op plaatsen waar de soort voorkomt, worden meestal wel meerdere exemplaren per vierkante meter tegelijk aangetroffen, maar de dichtheden zijn doorgaans laag. In Noord-, Midden- en Zuid-Limburg vooral bekend van de zijbeken van de Maas die onder invloed staan van grondwaterkwel. Daarnaast aangetroffen op meerdere plaatsen nabij het Leekstermeer (zowel Drente als Groningen). Ook hier gaat het om een kwelgebied, op de grens van pleistocene en holocene gronden. Verder is de Zeggekorfslak bekend van bronbossen in Overijssel en twee kwelrijke gebieden in Zuid-Holland. De recente waarnemingen komen voort uit een sterk vergrote aandacht voor de soort. Voor alle locaties in Nederland vanwaar de Zeggekorfslak nu bekend is, geldt dat het gaat om plaatsen met zeer specifieke milieu-omstandigheden: Elzenbroekbos met een ondergroei van grote zeggensoorten in beekdalen langs hogere gronden waarbij kwel optreedt, i.e. de zeldzame "Beekdal-Elzenbroek-associatie" (Carici elongatae-Alnetum). Soms wordt de soort buiten het bos aangetroffen in begroeiingen door grote zeggensoorten (veldjes van Moeraszegge). In het buitenland kunnen de omstandigheden overigens soms aanzienlijk minder specifiek zijn.

Landslak. De Zeggekorfslak leeft specifiek van algen en schimmels (roesten) die parasiteren op de bladeren van moerasplanten. De dieren worden aangetroffen in oeverzones, moerassen en broekbossen met een dichtbegroeide tot ijle ondergroei van Moeraszegge Carex acutiformis de primaire waardplant in Nederland. Daarnaast ook aangetroffen op de volgende vegetatievormende, secundaire waardplanten: Pluimzegge Carex paniculata, Liesgras Glyceria maxima, Riet Phragmites australis en Oeverzegge Carex riparia. In genoemde vegetaties komen nog diverse andere plantensoorten voor, zoals o.a. de Grote egelskop Sparganium erectum en Bosbies Scirpus sylvaticus. Hoewel de Zeggekorfslak in principe ook hierop aangetroffen kan worden, blijkt vrijwel steeds  dat Moeraszegge (hoe ijl ook) toch eveneens binnen deze vegetatie groeit.
De Zeggekorfslak is hermafrodiet en kan zich ook zelf bevruchten. De top in de voortplanting ligt in de zomer. Er zijn dan veel volwassen dieren. De eieren hebben minder dan twee weken nodig om uit te komen. Grote aantallen juveniele dieren worden in de herfst waargenomen. De grootte van de populatie kan in opeenvolgende jaren aanzienlijk verschillen. De dieren komen als volwassen exemplaar de winter door. In Nederland vaak gevonden op plaatsen die continu door kwel worden gevoed. Er wordt wel gesuggereerd dat kwel een rol speelt bij het niet te ver laten dalen van de temperatuur in de winter. Dit zou dan van belang zijn, omdat Nederland aan de noordkant van het areaal ligt en de Zeggekorfslak te boek staat als warmteminnende soort. In hoeverre deze theorie klopt, is wordt overigens maar de vraag.

 426423SoortenalbumNederlandLandANM
Zilverblauwe knotsslak
Cuthona concinna


Lees verder...
Zilverblauwe knotsslak
Cuthona concinna
<p>Zeenaaktslak. Tot 12 mm. Kleine soort met slanke papillen op de rug, geplaatst in schuine dwarsrijen. Voet met iets uitgetrokken voetpunten. Transparant, kleurloos tot cr&egrave;me, papilinhoud bruin tot oker, met over de papillen vaak een zilverblauwe metaalglans. Top van de tentakels, rhinoforen en papillen met witte vlekjes. De kleine eisnoeren zijn met enkele slagen rond de takjes van Zeecypres geslagen.</p>

Lees verder...
Cuthona concinna

Zeenaaktslak. Tot 12 mm. Kleine soort met slanke papillen op de rug, geplaatst in schuine dwarsrijen. Voet met iets uitgetrokken voetpunten. Transparant, kleurloos tot crème, papilinhoud bruin tot oker, met over de papillen vaak een zilverblauwe metaalglans. Top van de tentakels, rhinoforen en papillen met witte vlekjes. De kleine eisnoeren zijn met enkele slagen rond de takjes van Zeecypres geslagen.

Afmetingen: Lengte tot 12 mm.
Kleur: Het lichaam is transparant, kleurloos tot crèmekleurig. De papilinhoud is bruin tot okerkleurig. Over de papillen ligt vaak een zilverblauwe metaalglans. Witte vlekjes liggen op de toppen van de tentakels, rhinoforen en papillen.
Vorm: Een kleine soort met slanke papillen op de rug. Deze staan in schuine dwarsrijen, de voorsten zijn ter hoogte van de rhinoforen ingeplant. De voet heeft enigszins hoekige, maar niet puntig uitgetrokken voetpunten.

Eieren: De kleine eisnoeren zijn met enkele slagen rond de takjes van Zeecypres geslagen.

 

Een meer noordelijke soort. Van Noorwegen tot Het Kanaal en de Normandische kust van Frankrijk. Elders bekend van het Amerikaanse continent.
In Nederland tot ca. 2005 alleen zeer sporadisch in het Waddengebied en de Wester- en Oosterschelde. Ook bekend uit de Noordzee (wrakken). Alleen voor de Oosterschelde geldt dat er vanaf 1996 sprake van een permanente populatie.

In Nederland fourageert deze soort vrijwel uitsluitend op de Zeecypres Sertularia cupressina. Te verwachten op alle harde substraten waar Zeecypres voorkomt, onder meer op dijken, maar ook in Zeecypresvelden die op schelpenbodems in geulen voorkomen.De meeste waarnemingen zijn gedaan in de winter en voorjaar (januari-mei), maar soms ook in het najaar.141618SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|ANM
Zoetwaterkwal
Craspedacusta sowerbii


Lees verder...
Zoetwaterkwal
Craspedacusta sowerbii
Hydropoliep. Zoetwatersoort. Doorschijnend kwalletje met een witte, soms wat kruisvormige tekening en afhangende relatief korte tentakels. Doorsnede hoed tot 2,5 cm. Volwassen dier met meer dan 600 met netels bezette, draadvormige tentakels. De maagsteel eindigt in vier mondlappen. De neteldraden zijn voor de mens onschadelijk.

Lees verder...
Craspedacusta sowerbiiHydropoliep. Zoetwatersoort. Doorschijnend kwalletje met een witte, soms wat kruisvormige tekening en afhangende relatief korte tentakels. Doorsnede hoed tot 2,5 cm. Volwassen dier met meer dan 600 met netels bezette, draadvormige tentakels. De maagsteel eindigt in vier mondlappen. De neteldraden zijn voor de mens onschadelijk.

Afmetingen: Doorsnede hoed tot 2,5 cm.
Kleur: Doorschijnend, met een zilverwitte, soms wat kruisvormige tekening en afhangende relatief korte tentakels, die soms ook zilverwit zijn. Soms meer roze-achtig.
Vorm: Volwassen dier met meer dan 600 met netels bezette, draadvormige tentakels. De maagsteel eindigt in vier mondlappen.
Neteldraden: De neteldraden zijn voor de mens onschadelijk en steken niet.
Vastzittende poliepen: zeer klein (0,5 - 2 mm).

 Bekend uit Drenthe; Flevoland; Friesland; Gelderland; Limburg; Noord-Brabant; Noord-Holland; Overijssel; Utrecht; Zuid-Holland; Zeeland.De Chinese zoetwaterkwal komt onregelmatig voor in zoetwaterbiotopen in heel Nederland, uitgezonderd mogelijk de provincie Groningen (situatie 2014). De dieren worden meestal gevonden in kalm zoet water, met name in meren en vijvers, maar ze zijn ook bekend uit zoetwatergetijdegebied.Vooral in voorjaar en zomer als de oeverwateren opwarmen.117767SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Zoetwaterneriet
Theodoxus (Theodoxus) fluviatilis fluviatilis


Lees verder...
Zoetwaterneriet
Theodoxus (Theodoxus) fluviatilis fluviatilis
Zoetwater-huisjesslak. Tot 9,5 mm, meestal kleiner. Met bruine of paarslila lijnen en vlekken op een grijswitte tot gele ondergrond. Ovaal-langgerekt, vrijwel glad horentje van 2-3 windingen. De laatste sluit de voorgaande in. Mondopening halfrond met brede eeltplaat. Operculum halfrond, oranje, met vleugelvormig uitsteekseltje. Leeft in bewogen water, vroeger algemeen in rivieren en het IJsselmeer. tegenwoordig afgenomen.

Lees verder...
Theodoxus (Theodoxus) fluviatilis fluviatilisZoetwater-huisjesslak. Tot 9,5 mm, meestal kleiner. Met bruine of paarslila lijnen en vlekken op een grijswitte tot gele ondergrond. Ovaal-langgerekt, vrijwel glad horentje van 2-3 windingen. De laatste sluit de voorgaande in. Mondopening halfrond met brede eeltplaat. Operculum halfrond, oranje, met vleugelvormig uitsteekseltje. Leeft in bewogen water, vroeger algemeen in rivieren en het IJsselmeer. tegenwoordig afgenomen.Afmetingen: H. 6, B. 9,5 mm.
Schelpkleur: Grijswitte tot geelachtige ondergrond met een zeer variabele tekening van donkerbruine of paarslila lijnen en vlekken, waaronder driehoeken, ruiten, kleurbanden en andere patronen.

Schelpvorm: Ovaal-langgerekt horentje met 2 tot 3 windingen, waarvan de laatste verreweg het grootst is en de voorgaande insluit. De top steekt niet of nauwelijks boven de laatste winding uit. De naad tussen de windingen is zeer ondiep. De mondopening is halfrond, met een brede eeltplaat aan de binnenzijde (spilzijde), die deels over de laatste winding heen zit. Geen navel. In de mond zit een halfrond, oranje operculum, met een opvallend vleugelvormig uitsteekseltje.
Sculptuur: Alleen groeilijnen, verder meestal geen duidelijke sculptuur, soms vage groeven.

 Europa. In de Oostzee in brak water. In Nederland vroeger algemeen in het IJsselmeer en aangrenzende randmeren en in de grote rivieren. De laatste decennia achteruitgegaan. Nog wel in meren in de Vechtstreek en andere min of meer geïsoleerde wateren.

Zoet water. Kan ook in brak water voorkomen, in Nederland echter uiterst zelden. Voonamelijk in zuurstofrijk, sterk bewogen stromend of door golfslag in de oeverzone bewogen water. De dieren leven op hard substraat: basalt- en andere stenen, oude schelpen, nu en dan op hout.

 xSoortenalbumNederlandZoetwaterANM
Zonnebaars
Lepomis gibbosus


Lees verder...
Zonnebaars
Lepomis gibbosus
<p>Zoetwatervis. Lengte tot 20 cm. Een zijdelings en schijfvormig afgeplatte vis met een hoge rug. Rugvin bestaat uit twee aangegroeide delen waarbij het voorste deel lager is dan het achterste deel. In het voorste deel van de rugvin zitten harde stekels (vinstralen), in het achterste deel alleen zachte vinstralen. De buik- en anaalvin beginnen met enkele stekels (vinstralen). Het lichaam is bont gekleurd, ondergrond blauwgroen tot bruin met daarop een patroon van donkere dwarsbanden en oranje, rode en blauwe vlekken. Op het kieuwdeksel bevindt zich meestal een oranje vlek. Bij jonge zonnebaars is deze vlek vaak afwezig. Mannetjes zijn in de paaitijd extra fel gekleurd.</p>

Lees verder...
Lepomis gibbosus

Zoetwatervis. Lengte tot 20 cm. Een zijdelings en schijfvormig afgeplatte vis met een hoge rug. Rugvin bestaat uit twee aangegroeide delen waarbij het voorste deel lager is dan het achterste deel. In het voorste deel van de rugvin zitten harde stekels (vinstralen), in het achterste deel alleen zachte vinstralen. De buik- en anaalvin beginnen met enkele stekels (vinstralen). Het lichaam is bont gekleurd, ondergrond blauwgroen tot bruin met daarop een patroon van donkere dwarsbanden en oranje, rode en blauwe vlekken. Op het kieuwdeksel bevindt zich meestal een oranje vlek. Bij jonge zonnebaars is deze vlek vaak afwezig. Mannetjes zijn in de paaitijd extra fel gekleurd.

  

Verspreid over Nederland. Exoot, oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. Eerste melding uit begin 20ste eeuw., vanaf ca. 1990 sterk toegenomen door verkoop via tuincentra. Zeldzaam/

Stilstaand en langzaam stromend water: meren, vijvers, vennen en poelen. Prefereert helder en waterplantenrijk water. Bereikt zeer hoge dichtheden in geschoonde vennen.

 151290SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO|Exoten
Zonneroos
Cereus pedunculatus


Lees verder...
Zonneroos
Cereus pedunculatus


Lees verder...
Cereus pedunculatus      100987SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP
Zonnevis
Zeus faber


Lees verder...
Zonnevis
Zeus faber
Mariene vissoort (zeevis). Hoog, zijdelings afgeplat lichaam. 29-35 (tot 65 cm). Lichaam licht- tot donkergeel of bruinachtig gemarmerd. Zijkanten met &eacute;&eacute;n zwarte, geel omrande vlek. Uitstulpbare bek schuin omhoog (bovenstandig). Ogen hoog in de kop. Zeer markante eerste rugvin, met 9 -11 sterke stekelvormige vinstralen die uitlopen in losse, lange sprieten. Tweede rugvin en anaalvin even lang. De afhangende buikvinnen zijn lang. Langs rug en buik een randje met korte stekeltjes. Lichaam bedekt met kleinere puntige schubjes. Verspreidingsgebied wereldwijd ruim. In onze streken relatief weinig gevangen of gezien. Jonge dieren o.a. bekend uit Oosterschelde en Grevelingenmeer.&nbsp;

Lees verder...
Zeus faberMariene vissoort (zeevis). Hoog, zijdelings afgeplat lichaam. 29-35 (tot 65 cm). Lichaam licht- tot donkergeel of bruinachtig gemarmerd. Zijkanten met één zwarte, geel omrande vlek. Uitstulpbare bek schuin omhoog (bovenstandig). Ogen hoog in de kop. Zeer markante eerste rugvin, met 9 -11 sterke stekelvormige vinstralen die uitlopen in losse, lange sprieten. Tweede rugvin en anaalvin even lang. De afhangende buikvinnen zijn lang. Langs rug en buik een randje met korte stekeltjes. Lichaam bedekt met kleinere puntige schubjes. Verspreidingsgebied wereldwijd ruim. In onze streken relatief weinig gevangen of gezien. Jonge dieren o.a. bekend uit Oosterschelde en Grevelingenmeer. Afmetingen: Circa 29-35 cm tot 65 cm, in de literatuur wordt ook een maximum tot 90 cm genoemd).
Kleur: Het lichaam is licht- tot donkergeel of meer bruinachtig, met aan de zijkanten, iets voor het midden één zeer opvallende, min of meer ronde bruine tot zwarte vlek met daaromheen een gele rand. Het overige patroon bestaat uit lichtere gele of/en groenbruine vlekjes. Maar er komen ook meer bruingele gemarmerde patronen voor. De onderzijde is zilvergrijs. Bij jonge dieren kunnen vlekjes onderaan soms in vage horizontale strepen zijn gerangschikt.
Vorm: Hoog, zijdelings sterk afgeplat lichaam met een grote kop met een bolronde snuit en een schuin omhoog staande (bovenstandige) uitstulpbare bek. De ogen staan hoog in de kop en zijn vrij groot met vaak een blauwe tot zwarte pupil.
Vinnen: De vinnen zijn opvallend, vooral het voorste deel van de rugvin (voorste rugvin) is markant, met 9 -11 sterke stekelvormige vinstralen, die tot de eerste helft dikker zijn en deels met een membraan aan elkaar verbonden, waarna de bovenste delen als lange losse sprieten omhoog steken. De vin loopt verbonden door een klein membraan door in een tweede rugvin die veel minder hoog en deels doorschijnend is. De tweede rugvin en de anaalvin zijn even lang en in feite elkaars spiegelbeeld. De beide afhangende buikvinnen zijn zeer lang en lopen uit in vezelig franjes. De kleine borstvin staat direct achter het midden van het kieuwdeksel. Het voorste deel van de anaalvin kan worden gezien als een aparte vin met brede, vooral uit dik membraan bestaande flappen. Staartvin vrijwel recht aan het uiteinde.
Sculptuur: Op de rug en buik zit aan de basis van de vinnen een verdikt randje met korte aparte stekels. Kop en kieuwdeksels hebben een duidelijk stevigere bedekking dan het verdere lichaam, dat bedekt is met kleinere, wat gepunte schubjes.
Nadere kenmerken: Vinstralen: eerste rugvin 9-11 forse en verlengde vinstralen, tweede rugvin 22-24 zachte vinstralen, anaalvin met 4 stevige en 20-23 zachte vinstralen. met circa 20 vinstralen.
 De Zonnevis heeft wereldwijd een zeer ruim verspreidingsgebied. Dit omvat de oostelijke Atlantische Oceaan van Noorwegen tot rondom Afrika, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, de Rode Zee, Zuidoost-Azië, Nieuw Zealand, Australia en Japan. In het Nederlandse deel van de Noordzee wordt de vis de laatste jaren iets vaker gevangen, maar nog relatief weinig door duikers gezien. In de Oosterschelde en het Grevelingenmeer waargenomen exemplaren waren vrij jonge dieren.  In principe een kustvis met voorkeur voor diepten tussen 5 en 400 meter, maar de soort komt het meest voor tussen 50-150 meter. Het zijn roofvissen die zich voeden met diverse vissen, waaronder haring, grondels, zandspiering, horsmakrelen, maar ook met inktvisse, kreeftachtigen en soms andere weekdieren en stekelhuidigen. De dieren leven solitair of in kleine groepen bij de bodem. Zonnevissen worden geslachtsrijp bij een lengte van 25-35 cm en een leeftijd van 3-4 jaar. De paaitijd valt tussen juni tot augustus, in het gebied ten zuiden van het Kanaal en in de Ierse Zee. De vis heeft veel bijnamen zoals, zeehaan, spiegelvis en Sint Pietervis. Ook de Duitse en Franse namen Petersfisch en Saint-Pierre verwijzen naar Sint Pieter, waarvan volgens de legende de zwarte stip een vingerafdruk is. In het Engels heet de vis John Dory, waarbij het Dory mogelijk verwijst naar het Franse woord Doré - van goud. (Er bestaan tientallen verklaringen voor de namen, 'goud' zou naar de gouden kleur kunnen verwijzen, maar ook zou de vis een goudstuk hebben gezogen uit de hand van Sint Pieter). xSoortenalbumNederlandZoutwater 
Zuiderzeekrabbetje
Rhithropanopeus harrisii


Lees verder...
Zuiderzeekrabbetje
Rhithropanopeus harrisii
Krab. (Licht) brak water. Rugschild tot 23 mm. De kleur is variabel, van grijsgroen tot roodachtig bruin. Vaak zijn de dieren volledig overgroeid met algen waardoor ze een donkerbruin tot zwart uiterlijk hebben. De vingers van de scharen zijn wit. De aangroei op de scharen slijt door het gebruik continue af zodat de witte kleur extra opvalt. Vrij onopvallende, kleine krabbetjes die specifiek in brak water voorkomen. Het rugschild is breder dan lang, licht bol met 3 tanden aan de zijkant. Op het midden van het rugschild staan drie overdwarse ribbels die in het midden onderbroken zijn. De voorrand tussen de ogen is recht of licht gebogen met in het midden een ondiepe insnijding.&nbsp;De schaarpoten zijn ongelijk en bij de mannetjes groter dan bij de wijfjes. De looppoten zijn cilindrisch en langs de rand licht behaard.&nbsp;

Lees verder...
Rhithropanopeus harrisiiKrab. (Licht) brak water. Rugschild tot 23 mm. De kleur is variabel, van grijsgroen tot roodachtig bruin. Vaak zijn de dieren volledig overgroeid met algen waardoor ze een donkerbruin tot zwart uiterlijk hebben. De vingers van de scharen zijn wit. De aangroei op de scharen slijt door het gebruik continue af zodat de witte kleur extra opvalt. Vrij onopvallende, kleine krabbetjes die specifiek in brak water voorkomen. Het rugschild is breder dan lang, licht bol met 3 tanden aan de zijkant. Op het midden van het rugschild staan drie overdwarse ribbels die in het midden onderbroken zijn. De voorrand tussen de ogen is recht of licht gebogen met in het midden een ondiepe insnijding. De schaarpoten zijn ongelijk en bij de mannetjes groter dan bij de wijfjes. De looppoten zijn cilindrisch en langs de rand licht behaard.    Het Zuiderzeekrabbetje is een typische brakwatersoort en werd voor de opening van het doorlaatmiddel veelvuldig aangetroffen in het Veerse meer. Tegenwoordig is de soort daar vrijwel volledig verdwenen. Ze kan in Nederland gevonden worden in een aantal brakke waterwegen zoals het Noordzeekanaal of het kanaal van Groningen naar Delfzijl. 107414SoortenalbumNederlandBrakwaterMOO|Exoten
Zuiderzee-schijfslak
Corambe obscura


Lees verder...
Zuiderzee-schijfslak
Corambe obscura
<p>Zeenaaktslak (brak water). Tot 7 mm. Lichaam geelwit tot groen met donkere vlekjes. Ovaal tot cirkelrond mantelschild. De spitse rhinoforen zijn intrekbaar en dragen twee lamellen in de lengterichting. Twee paar gelamelleerde kieuwen die niet op de rug maar onder het mantelschild zitten. Leeft vaak in associatie met het mosdiertje Palingbrood <em>Einhornia crustulenta</em> en kalkhoudende korstvormige mosdiertjes en wieren. Vroeger in de Zuiderzee. Nu uitgestorven. </p>

Lees verder...
Corambe obscura

Zeenaaktslak (brak water). Tot 7 mm. Lichaam geelwit tot groen met donkere vlekjes. Ovaal tot cirkelrond mantelschild. De spitse rhinoforen zijn intrekbaar en dragen twee lamellen in de lengterichting. Twee paar gelamelleerde kieuwen die niet op de rug maar onder het mantelschild zitten. Leeft vaak in associatie met het mosdiertje Palingbrood Einhornia crustulenta en kalkhoudende korstvormige mosdiertjes en wieren. Vroeger in de Zuiderzee. Nu uitgestorven.

Afmetingen: Lengte tot 7 mm.
Kleur: Het lichaam en de mantel zijn geel tot groen en bezet met donkere vlekjes. Deze vlekjes kunnen bij sommige exemplaren zo dicht op elkaar staan dat het dier zwart lijkt.
Vorm: Kleine slak met een ovaal tot bijna cirkelrond mantelschild. De kleine spitse rhinoforen zijn intrekbaar in een lage schede en dragen elk twee lamellen in de lengterichting. De soort heeft twee paar gelamelleerde kieuwen, die in tegenstelling tot andere doride zeenaaktslakken niet op de rug staan maar onder het mantelschild zijn verstopt.

Eieren: De eisnoeren worden afgezet op het voedsel en vormen een gelatineuze platte dichte spiraal, met tot 4 windingen en grote aantallen eitjes. Uit Nederland zijn eisnoeren gemeld van augustus en September.

 

Exoot. Het oorspronkelijke leefgebied omvat de estuaria langs de Amerikaanse oostkust. Als geïntroduceerde exoot bovendien aanwezig in de Zwarte Zee (sinds 1990). Ook in Brazilië aangetroffen. In Europa lang geleden in Europa ingevoerd (eerste melding 1879). Historische West-Europese waarnemingen komen vooral uit Nederland, uit de Zuiderzee van Durgerdam tot Den Helder en uit de Waddenzee (Texel). Daarnaast bekend van de Franse Atlantische kust bij de monding van de Charente. Zeer waarschijnlijk zijn zowel de Nederlandse, Franse als Braziliaanse populaties ontstaan uit met ballastwater of op scheepswanden aangevoerde individuen.
In Nederland uitgestorven na het afsluiten van de Zuiderzee in 1932, toen de brakke Zuiderzee veranderde in het zoete IJsselmeer. Omdat na de voltooiing van de Deltawerken in Nederland geen aaneengesloten brakwatergebieden meer die vergelijkbaar zijn met de vroegere Zuiderzee, is een nieuwe succesvolle introductie in Nederland niet waarschijnlijk.

Brakwater met een laag zoutgehalte (7-32‰). De dieren leven net onder de laagwaterlijn tot een diepte van ca. 5 m. De vroegere Nederlandse waarnemingen zijn gedaan van het voorjaar tot in de herfst. De soort was soms massaal aanwezig. Inmiddels verdwenen uit Nederland.
In Nederland werd de soort meestal gevonden in associatie met het mosdiertje Palingbrood Einhornia crustulenta, maar daadwerkelijk foerageren in Nederland is nooit gepubliceerd. In Amerika voedt de soort zich met kalkhoudende korstvormige mosdiertjes. Daarnaast voedden de dieren zich mogelijk ook met de mosdiertjes Conopeum reticulum en/of Alcyonidium polyoum. De slakken zijn verder gevonden op wieren zoals Gezaagde zee-eik Fucus serratus en op Groot zeegras Zostera marina, evenals tussen hydroïdpoliepen van het geslacht Tubularia.

 139407SoortenalbumNederlandZoutwaterANM
Zuurstok-zakpijp
Nog onbekend


Lees verder...
Zuurstok-zakpijp
Nog onbekend
Solitaire zakpijp. Mariene soort. 20 x 15 mm. Ovaalrond. De mantel is rozerood. De hals van de beide sifonen is&nbsp; afwisselend gestreept met roze en witte strepen. Oppervlak leerachtig en gerimpeld, vaak bedekt met slik en andere organismen. Sinds 2017 bekend uit de Oosterschelde.

Lees verder...
Nog onbekendSolitaire zakpijp. Mariene soort. 20 x 15 mm. Ovaalrond. De mantel is rozerood. De hals van de beide sifonen is  afwisselend gestreept met roze en witte strepen. Oppervlak leerachtig en gerimpeld, vaak bedekt met slik en andere organismen. Sinds 2017 bekend uit de Oosterschelde.Afmetingen: 20 x 15 mm.
Kleur: De buitenkant (de mantel) is rozerood. De hals van de beide sifonen is opvallend gekleurd, met afwisselend roze en witte strepen. Die doen denken aan het patroon op de 'candy-cane' zuurstokken.
Vorm:  De in- en uitstroomopeningen in de sifonen zijn in doorsnee wat vierkant en worden aan het uiteinde iets wijder.
Sculptuur: De buitenzijde (mantel) is leerachtig en wat gerimpeld. Vaak bedekt met slib en diverse andere organismen (vooral mosdierkolonies, sponzen en plakkaten van kolonievormende zakpijpen).
 Momenteel is niet duidelijk wat het oorsprongsgebied van deze soort is. Het kan zowel gaan om een exoot, als om een in Europese wateren inheemse soort die nog niet uit onze streken bekend was. In Nederlandse wateren ongeveer begin 2017 voor het eerst gezien. Onder andere aanwezig in de Oosterschelde bij Zierikzee, nabij de Zeelandbrug. Sinds het najaar van 2017 duidelijk toegenomen.Op hard substraat aan de voet van dijken, vastzittend op stenen en ander stevig materiaal. Vaak liggen de dieren op hun onderkant of zijkant aan het substraat gehecht. Het zijn weliswaar solitaire zakpijpen, maar ze kunnen geaggregeerd in grote aantallen bijeen voorkomen. Het meest gezien op diepten tussen 8 en 15 meter  xSoortenalbumNederlandZoutwater 
Zwakgebogen glanshorentje
Vitreolina antiflexa


Lees verder...
Zwakgebogen glanshorentje
Vitreolina antiflexa
Mariene huisjesslak. Tot 4 mm. Levende exemplaren met glasachtige schelp, lege huisjes melkwit. Dunschalig, spits horentje, met ca. 10 vlakke, gladde, glanzende windingen. Meestal licht gekromd, sommige exemplaren vrijwel recht, ook licht S-vormig gebogen exemplaren. Mondopening peervormig, operculum smal, hoornachtig . geen sculptuur, oppervlak glad. Noordzee verder van de kust. Leeft vermoedelijk ectoparasitair met zee-egels, zeekomkommers en/of slangsterren.

Lees verder...
Vitreolina antiflexaMariene huisjesslak. Tot 4 mm. Levende exemplaren met glasachtige schelp, lege huisjes melkwit. Dunschalig, spits horentje, met ca. 10 vlakke, gladde, glanzende windingen. Meestal licht gekromd, sommige exemplaren vrijwel recht, ook licht S-vormig gebogen exemplaren. Mondopening peervormig, operculum smal, hoornachtig . geen sculptuur, oppervlak glad. Noordzee verder van de kust. Leeft vermoedelijk ectoparasitair met zee-egels, zeekomkommers en/of slangsterren.

Afmetingen: H. tot 4 mm, B. tot 1,3 mm.
Schelpkleur: Bij levende exemplaren glasachtig transparant. Lege huisjes zijn melkwit.
Schelpvorm: Dunschalig, spits horentje, met ca. 10 opvallend vlakke, gladde, glanzende windingen. De laatste neemt 35% van de totale schelphoogte in. Het schelpje is meestal licht gekromd, maar sommige exemplaren zijn praktisch recht. Er zijn ook licht S-vormig gebogen exemplaren bekend (onder andere uit de Noordzee). De mondopening is peervormig. Operculum klein en smal, hoornachtig oranjebruin.
Sculptuur: Glad.

Dier: Onbekend. Het nauw verwante Kromme glanshorentje Vitreolina philippi (Rayneval & Ponzi, 1854) heeft een platte kop zonder snuit of mondopening, met alleen een ingang voor de lange uitstulpbare zuigslurf (acrembole proboscis) en vrij korte koptentakels, met zwarte ogen direct aan de basis van de tentakels. De lichaamskleur is glasachtig wit, met helderwitte en oranjerode vlekken.

 

Het areaal van deze soort strekt zich uit van Noorwegen tot in de Middellandse Zee. De soort is gevonden op een aantal locaties in de Oestergronden en een enkele keer op de Doggersbank. De dichtheden zijn steeds laag.

Op het strand: Niet met zekerheid bekend, mogelijk verward met Vitreolina philippi.

In het sublitoraal, vanaf iets beneden de laagwaterlijn tot diepten van ruim 200 m. De dieren leven ectoparasitair op – vermoedelijk – stekelhuidigen. Het is niet bekend of ze een specifieke gastheersoort hebben. Mogelijk gaat het om dezelfde soorten als genoemd voor V. philippi, te weten meerdere soorten zee-egels en zeeappels, zeekomkommers en slangsterren. Bij de Eulimidae zijn de geslachten gescheiden en vaak zijn de mannetjesdieren iets kleiner dan de vrouwelijke. Voortplantingsseizoen onbekend. 139896SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Zwartbekgrondel
Neogobius melanostomus


Lees verder...
Zwartbekgrondel
Neogobius melanostomus
Zoetwatervis. Ook in brak water. Tot circa 25 cm, in zoet water meestal kleiner. In de rugvinnen is een roestbruin bandenpatroon zichtbaar en in het achterste deel van de voorste rugvin zit een zwarte vlek. Op de rug vier grotere bruine vlekken en 8-9 donkere vlekjes op de zijkant. In de paaitijd (april-september) krijgt het mannetje&nbsp; een zwart lichaam. In 2004 voor het eerst in Nederland in de Lek. Inmiddels in alle rivieren en daarmee verbonden wateren. Zwaartepunt in het beneden rivierengebied en Noordzeekanaal.

Lees verder...
Neogobius melanostomusZoetwatervis. Ook in brak water. Tot circa 25 cm, in zoet water meestal kleiner. In de rugvinnen is een roestbruin bandenpatroon zichtbaar en in het achterste deel van de voorste rugvin zit een zwarte vlek. Op de rug vier grotere bruine vlekken en 8-9 donkere vlekjes op de zijkant. In de paaitijd (april-september) krijgt het mannetje  een zwart lichaam. In 2004 voor het eerst in Nederland in de Lek. Inmiddels in alle rivieren en daarmee verbonden wateren. Zwaartepunt in het beneden rivierengebied en Noordzeekanaal.Afmetingen: Tot ca. 25 cm. Blijft in zoet water meestal kleiner.
Kleur: In de rugvinnen is een roestbruin bandenpatroon zichtbaar en in het achterste deel van de voorste rugvin zit een zwarte vlek. Er zitten vier grotere bruine vlekken op de rug en acht tot negen donkere vlekjes op de zijkant. In de paaitijd (april-september) krijgt het mannetje van zwartbekgrondel een compleet zwart lichaam.
Vorm: Ogen hoog in de kop geplaatst; dikke lippen.
Vinnen: Twee rugvinnen, borstvinnen vergroeid tot een zuignap.
 Van oorsprong komt zwartbekgrondel voor in stroomgebieden van rivieren in de Ponto-Kaspische regio rond de Zwarte en Kaspische Zee en de Zee van Azov. In 2004 is de soort voor het eerst in Nederland aangetroffen in de Lek ter hoogte van Schoonhoven. Inmiddels is zwartbekgrondel in alle grote rivieren en veel hiermee verbonden wateren waargenomen. Het zwaartepunt van de huidige verspreiding ligt in het beneden rivierengebied en het Noordzeekanaal. In het Noordzeekanaal is de soort ook in brak water aangetroffen. Vrouwelijke zwartbekgrondels kunnen in het paaiseisoen herhaaldelijk (om de 20 dagen) eieren afzetten. De plakkerige eieren worden onder of tussen stenen, schelpen of waterplanten gelegd. De mannetjes bewaken het nest gedurende 2 a 3 weken tot de eieren uitkomen. Zwartbekgrondels voeden zich met ongewervelden, mollusken en kleine vissen. 126916SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Zwarte grondel
Gobius niger


Lees verder...
Zwarte grondel
Gobius niger
Zeevis. Grote grondelsoort, tot 18 cm. Licht tot donkerbruin gevlekt, zwarte vlek tussen eerste paar vinstralen in beide rugvinnen. Mannetjes in paaitijd pikzwart. Langgerekte vis met twee forse rugvinnen direct achter elkaar. Ogen hoog op de bolle kop. Nek met schubben. Twee forse rugvinnen zonder tussenruimten, mannetjes hebben een verlengde eerste rugvin. Buikvinnen aaneengegroeid tot zuignap. Bouwt nestjes die het mannetje bewaakt. Kustgebied, vooral in Zeeland, plaatselijk.

Lees verder...
Gobius nigerZeevis. Grote grondelsoort, tot 18 cm. Licht tot donkerbruin gevlekt, zwarte vlek tussen eerste paar vinstralen in beide rugvinnen. Mannetjes in paaitijd pikzwart. Langgerekte vis met twee forse rugvinnen direct achter elkaar. Ogen hoog op de bolle kop. Nek met schubben. Twee forse rugvinnen zonder tussenruimten, mannetjes hebben een verlengde eerste rugvin. Buikvinnen aaneengegroeid tot zuignap. Bouwt nestjes die het mannetje bewaakt. Kustgebied, vooral in Zeeland, plaatselijk.

Afmetingen: Tot 18 centimeter lengte, hetgeen voor een grondelsoort zeer groot is.
Kleur: Licht tot donkerbruin gevlekt, er is een zwarte vlek tussen de eerste paar vinstralen boven in de beide rugvinnen. De mannetjes zijn in de paartijd pikzwart en verblijven dan meestal in de buurt van de witte eitjes, die ze bewaken. Buiten de broedperiode zijn de dieren licht tot donker bruin, met donkere spikkels en lichtere vlekken.
Vorm: Langgerekte vis met twee forse rugvinnen direct achter elkaar. De ogen staan oog op de bolle kop met dikke wangen en lippen. De nek heeft schubben.
Vinnen: Twee forse rugvinnen zonder tussenruimten. Volwassen mannetjes hebben een verlengde eerste rugvin. Buikvinnen aaneengegroeid tot een zuignap.

 Noordoost-Atlantische Oceaan, Oostzee, Noordzee. Langs de Nederlandse kust vooral in de Zeeuwse Delta, daar plaatselijk algemener dan langs de rest van de kust.

- Link Waarnemingen telmee.nl 1997-2015
- Link: Waarnemingen van waarneming.nl 2016
- Link: Waarnemingen van waarneming.nl 1997-2015
- Link: GBIF.org

Zand- en modderbodems, tussen begroeiing en stenen en in wiervelden in het kustgebied. Ook in brak water. Paaitijd van mei tot augustus. De peervormige eieren worden vastgemaakt aan zeewier en hard substraat en door het mannetje bewaakt. Het voedsel bestaat uit wormen en kleine kreeftachtigen. De Zwarte grondel kan goed tegen verschillende zoutgehaltes.

 126892SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Zwarte oprolkreeft
Galathea squamifera


Lees verder...
Zwarte oprolkreeft
Galathea squamifera
Kreeftachtige behorend tot de Anomura (Heremietkreeften). Mariene soort. Tot 6,5 (schild 3,5) cm. Plompe soort met ranke scharen en opvallende kleuren. Oude dieren donker (kastanjebruin of zwart) met lichtere dwarsstrepen. Scharen en looppoten gevlekt, uiteinde donkerder, uiterste punt lichter. Segmenten van het achterlijf kort. Staartstuk (telson) deels onder het lichaam gevouwen. Voorste poten gelijk met lange scharen. Het achterlijf kan samenklappen om snel weg te schieten. In kieren en holletjes in Zeeland. Schaars.

Lees verder...
Galathea squamiferaKreeftachtige behorend tot de Anomura (Heremietkreeften). Mariene soort. Tot 6,5 (schild 3,5) cm. Plompe soort met ranke scharen en opvallende kleuren. Oude dieren donker (kastanjebruin of zwart) met lichtere dwarsstrepen. Scharen en looppoten gevlekt, uiteinde donkerder, uiterste punt lichter. Segmenten van het achterlijf kort. Staartstuk (telson) deels onder het lichaam gevouwen. Voorste poten gelijk met lange scharen. Het achterlijf kan samenklappen om snel weg te schieten. In kieren en holletjes in Zeeland. Schaars.

Afmetingen: Volwassen dieren worden ongeveer 6,5 cm lang. Het rugschild is dan 3,5 cm.
Kleur:
Oudere dieren meestal donker kastanjebruin, vaak met een groenachtige tint en al dan niet lichtere dwarsstrepen. Jongere exemplaren vaak oranjebruin meestal met lichtere overdwarse strepen. De scharen zijn bruin gevlekt, aan het uiteinde vaak donkerder, de uiterste punt lichter. Op de looppoten kunnen blauw-paarse vlekken aanwezig zijn.
Vorm: Een kleine, plompe kreeftachtige met hele ranke schaartjes.
Rugschild: kort en breed driehoekig met aan weerszijde drie tot vier tanden. Daarachter staan net uit het midden op het rugschild twee kleine stekels. Op het gehele rugschild staan overdwarse stekels met haren. Op het voorste deel van de zijkanten staan naar voren gerichte stekels. De segmenten van het achterlijf zijn kort en breed. Het eerste segment heeft één groeve overdwars, het tweede tot vijfde segment elk drie, soms onderbroken. De platen aan de zijkant zijn afgerond. Het staartstuk (telson) is breed en kort, licht versmallend naar achteren. De achterrand is diep ingesneden. De bovenzijde is bezet met platen  waarop aan de achterkant haren staan.
Poten:
Links en rechts zijn de poten gelijk. De voorste poten hebben lange scharen. Ze zijn over hun gehele lengte van stekels voorzien en langer en breder dan de andere looppoten. Het voorste drie paar looppoten is forser gebouwd dan het achterste paar.
Overig:
Net als bij echte kreeften kan de oprolkreeft het achterlijf plotseling samenklappen, zodat het dier snel wegschiet bij gevaar. Voor de rest geschiedt de voortbeweging met de looppoten.

 

N-Atlantische Oceaan, Middellandse Zee, Noordzee, Oostzee. In Nederland regelmatig waar te nemen in de Oosterschelde, soms ook in de Grevelingen en een enkele keer in de Westerschelde.

De dieren leven beneden de laagwaterlijn, veelal in spleten en holen. Het voedsel bestaat uit dierlijke en plantaardige organismen; het zijn alleseters.

Vrouwtjes met eieren kunnen van februari tot mei gevonden worden.107154SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Zwarte streepschelp
Musculus svecicus


Lees verder...
Zwarte streepschelp
Musculus svecicus
Mariene tweekleppige. Tot 55 mm. Wit tot bleeklila, binnenzijde glanzend wit. Opperhuid jonge dieren geelgroen tot bruin, volwassen donkerbruin tot zwart. Vrij dunschalig. De onderrand is niet uitgebogen maar vrijwel recht. Stralende verticale groeven op voor- en achterkant, glad in het midden. Noordzee: leeft ver van de kust in dieper water. Spoelt zelden of nooit op het strand aan (enkele keren met drijvende voorwerpen).

Lees verder...
Musculus svecicusMariene tweekleppige. Tot 55 mm. Wit tot bleeklila, binnenzijde glanzend wit. Opperhuid jonge dieren geelgroen tot bruin, volwassen donkerbruin tot zwart. Vrij dunschalig. De onderrand is niet uitgebogen maar vrijwel recht. Stralende verticale groeven op voor- en achterkant, glad in het midden. Noordzee: leeft ver van de kust in dieper water. Spoelt zelden of nooit op het strand aan (enkele keren met drijvende voorwerpen).

Afmetingen: 55 X 30 mm.
Kleur: Wit tot bleeklila, aan de binnenzijde glanzend wit. Opperhuid bij jonge dieren geelgroen tot bruin, bij volwassen dieren diep donkerbruin tot zwart. De opperhuid wordt na droging snel schilferig.
Schelpvorm:
Vrij dunschalige, langwerpig-ovale schelp. De top ligt enigszins van de voorrand af. De onderrand is niet uitgebogen maar vrijwel recht.
Sculptuur: Stralende verticale groeven op voor- en achterkant, glad in het midden.
Slot: Ligament kort. Geen slottanden.
Binnenzijde schelp: Binnenin een groot en klein spierindruksel.  

 

 

Een vooral noordelijke soort. In Europa van het Arctisch Gebied tot in de Noordzee. Elders ook bekend van North Carolina en Oregon tot de Zee van Ochotsk. In het Noordzeegebied naar het noorden toe iets minder zeldzaam (Denemarken). In Nederlandse wateren voornamelijk bekend van de noordelijke delen.

Op het strand: Enkele keren op de Nederlandse kust aangespoeld (vooral jonge dieren) op drijvende voorwerpen.

De soort leeft al dan niet vastgehecht met byssusdradenin ‘nesten’ op een slik-, zand- of steenbodem in dieper water, tot enkele honderden m. Het zijn zowel filteraars als detrituseters. De dieren zijn van gescheiden geslacht, maar tevens protandrisch hermafrodiet, wat inhoudt in dat ze mannetjes zijn als ze jong zijn, terwijl de oudere dieren veranderen in vrouwtjes. Bevruchting van de eieren vindtplaats in de mantelholte, waarna de bevruchte eieren in gelatineuze snoeren worden afgezet, vaak in zelfgemaakte nestjes van byssusdraden. De jonge dieren kunnen enige tijd in denestjes doorbrengen, zodat clusters ontstaan van moederdieren met diverse juvenielen bijeen. Bij grotere afmetingen kunnen de dieren zichzelf losmaken en met de voet naar elders verplaatsen. Leeftijd: 3-5 jaar. 506133SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Zwartooglipvis
Symphodus melops


Lees verder...
Zwartooglipvis
Symphodus melops
Zeevis. Mannetjes tot 25 cm, vrouwtjes tot 12 cm. Geel- tot groenbruin met een lichtrode tint. Mannetjes met een blauwgroene tekening en strepen op kop en rugvin. Zwarte vlek achter het oog en op de staartwortel. Vrouwtjes kleiner, geelbruin. Lichaam hoog, spitse snuit, &eacute;&eacute;n van tot 17 stekels voorziene lange rugvin met duidelijke vinstralen (vlagstaart, borst- en anaalvinnen idem). Nu en dan in de Oosterschelde. Bouwt nestjes die door het mannetje verdedigd worden.

Lees verder...
Symphodus melopsZeevis. Mannetjes tot 25 cm, vrouwtjes tot 12 cm. Geel- tot groenbruin met een lichtrode tint. Mannetjes met een blauwgroene tekening en strepen op kop en rugvin. Zwarte vlek achter het oog en op de staartwortel. Vrouwtjes kleiner, geelbruin. Lichaam hoog, spitse snuit, één van tot 17 stekels voorziene lange rugvin met duidelijke vinstralen (vlagstaart, borst- en anaalvinnen idem). Nu en dan in de Oosterschelde. Bouwt nestjes die door het mannetje verdedigd worden.

Afmetingen: Mannetjes tot 25 centimeter, vrouwtjes kleiner tot 12 centimeter.
Kleur: Geel- tot groenbruin met een lichtrode tint. Mannetjes prachtig gekleurd met een blauwe en groene tekeningen op de kop en rugvin en opvallende blauwe en groene grillige strepen. Er staat een zwarte vlek achter het oog en op de staartwortel.de vrouwtjes zijn kleiner en bescheidener geelbruin van kleur.
Vorm:
Stevige vis met een hoog lichaam, een spitse snuit en vlezige lippen. De rafelige rugvin loopt over de gehele rug en heeft net als de vlagstaart, borst- en anaalvinnen duidelijke vinstralen. Het voorkieuwdeksel achteraan fijn gezaagd.
Vinnen: Eén rugvin met tot 17 stekels en ca. 10 vinstralen.

 Noordoost-Atlantische Oceaan van Noorwegen en de Noordzee tot Marokko en de westelijke Middellandse Zee. In Nederland incidenteel in Zeeland (Oosterschelde).

Voornamelijk op rotsbodems vanaf de getijdenzone tot ca. 30 meter. De dieren eten vooral kreeftachtigen, slakken en tweekleppigen. Zwartooglipvissen worden net als alle andere soorten lipvissen als vrouwtje geboren. Ze leven dan in scholenverband ondiep langs rijk met wier begroeide kusten. Het dominante mannetje bouwt meerdere nesten van wiermateriaal en verdedigt deze. Lipvissen kunnen slecht tegen koude winters. Afhankelijk van deze winters kunnen Zwartooglipvissen algemeen voorkomen in de Oosterschelde, en dan weer voor jaren verdwenen zijn.

 273571SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

  • Inventarisaties
  • Beheeradviezen 
  • Monitoring
  • Exoten

Mariene soorten en ecologie

  • Educatie
  • Artikelen
  • Exoten

 

 

Steun ANEMOON

  • Met een donatie
  • Met waarnemingen
  • Met foto's 
  • Met locatie-omschrijvingen
  • Met maken van artikelen
  • Met organiseren activiteiten

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

 

 

Back To Top