Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANM Etymologie Zeeslakken Lacuna
Navigation
Document Actions

Lacuna

Scheefhorens


Tekst : Lodewijk van Duuren, 30 september 2007


Lacuna Turton, 1827

Familie:

 
De soorten van het genus Lacuna heten scheefhoren, omdat ze een scheef uitgebreide mond hebben. De naam Lacuna (lat., vergelijk lacune) betekent holte, diepte, afgrond, naar de spleetvormige navel naast de mond.

 

Lacuna crassior (Montagu, 1803)

Nederlands: Grote scheefhoren

Engels: Thick chinck shell

 

Grote scheefhoren is groter en dikker (15 mm hoogte) dan de andere genoemde soorten. De soortnaam crassior (lat.) betekent dikker.

 

Lacuna pallidula (Da Costa, 1778)

Nederlands: Bleke scheefhoren

Engels: Pale chink shell

Flache Grübchenschnecke

Deens: Lavspiret grubesnegl

 

In het Latijn is pallidus bleek; pallidula = pallid(us) + dim. –ula. Te vertalen als een beetje bleek of enigszins bleek. De kleur van de schelp van de Bleke scheefhoren is lichtgeel.

 

Lacuna parva (Da Costa, 1778)

Nederlands: Kleine scheefhoren

Engels: Globular chink shell

Deens: Lille grubesnegl

 

De kleine scheefhoren is met een hoogte van 4 mm de kleinste van het stel; de soortnaam parva (lat.) betekent klein.

 

Lacuna vincta (Montagu, 1803)

Nederlands: Scheefhoren

Engels: Banded chink shell (chink = spleet)

Gebändete Grübchenschnecke

Deens: Båndtegnet grubesnegl (grube = groeve)

 

Lacuna vincta heeft twee tot vier donkerbruine spiraalbanden op de laatste winding. De soortnaam vincta (lat.) = gebonden of geboeid heeft daar mee te maken.