Hiatella
Rotsboorders
Tekst: Lodewijk van Duuren, 17 oktober 2007
Rotsboorders - Hiatellidae
Hiatella arctica Noordse rotsboorder
Hiatella rugosa Ruwe rotsboorder
Saxicavella jeffreysi Geplooide rotsboorder
Sommige soorten van de familie Hiatellidae boren in zacht gesteente. Bob Entrop meldt dat de schelpen van Hiatella rugosa borend zijn aangetroffen in baksteen en Doornikse steen. Andere soorten nestelen zich in bestaande holten of zijn met byssusdraden (byssus is Latijn voor fijn linnen, katoen) vastgehecht aan stenen, schelpen of een andere harde ondergrond. Buitenlandse namen voor de rotsboorder zijn Rock borer (Eng.), Saxicave (Fr.) en Felsenbohrmuschel (Dld.)
De schelpen zijn min of meer gapend. Levinius Vincent noemt ze gaapertjes in zijn Wondertooneel der Nature (1706). De wetenschappelijke naam Hiatella is een samenvoeging van hiatus, Latijn voor gaping, opening of kloof en –ella een verkleinwoord. Hiatus, vergelijk het Nederlandse hiaat, is afgeleid van hiare, gapen of opengesperd zijn.
Een andere naam voor Hiatella is Saxicava. Saxicava is van saxus, Latijn voor rots en van cavus is uitgehold, van cavo = hol maken, uithollen. Saxicavella is een slagje kleiner dan Hiatella en heeft daarom het achtervoegsel –ella. Hiatella arctica komt voor van het Arctische gebied tot aan de Middellandse Zee. Arctica betekent arctisch en slaat dus maar op een deel van het verspreidingsgebied, evenals de Nederlandse naam Noordse rotsboorder.
De Engelse naam van deze soort is Wrinkled rock borer, vertaald “geplooide rotsboorder”. Vanuit de top van de schelp lopen namelijk twee duidelijke, meestal gedoornde kielen naar de achterzijde. In Nederland heeft echter Hiatella jeffreysi de naam Geplooide rotsboorder gekregen. Deze soort heeft maar één flauwe plooi op de schelp. Jeffreysi is een vernoeming naar de Britse concholoog John Gwyn Jeffreys die leefde van 1809 tot 1885.
Hiatella rugosa, synoniem Hiatella striata is de ruwe rotsboorder. De soort is echter niet veel ruwer dan Hiatella arctica. De soortnamen rugosa en striata betekenen respectievelijk rimpelig (van Lat, rugo rimpelen of in plooien vallen) en gestreept.

