Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANM Etymologie Zeenaaktslakken Facelina
Navigation
Document Actions

Facelina

Ringsprietslakken

Tekst: Lodewijk van Duuren, 30 november 2007

Facelina Alder & Hancock, 1855

Facelina bostoniensis (Couthouy, 1838)
Nederlands: Brede ringsprietslak
Duits: Fadenschnecke
Engels: Boston facelina

Facelina auriculata (Müller, 1776)
Synoniem: Facelina coronata
Nederlands: Gekroonde ringsprietslak

Het genus is genoemd naar de vele draadvormige papillen. Facelina is samengesteld uit facies (lat.), voorkomen, gezicht en linea = linnen draad, koord of lijn.
Facelina bostoniensis is een vrij brede zeenaaktslak, waarvan de reuksprieten geringd zijn. De soortnaam bostoniensis betekent van Boston (USA). De soort is gevonden en beschreven door Couthouy van de kust van Massachusetts in 1838. Een paar jaar laten in 1843 beschreven Alder en Hancock dezelfde soort voor Europa als Eolis curta. Het verspreidingsgebied loopt van Noorwegen tot de westelijke Middellandse Zee en langs de kust van Massachusetts, de staat waarin Boston ligt.

De rood of bruin gekleurde papillen van de Gekroonde ringsprietslak staan groepsgewijs, wat de Nederlandse naam verklaart. De soortnaam auriculata (lat.) betekent met oortjes en slaat wellicht op de tentakels.