Linnaeus en schelpen
Linnaeus' naamgeving en collectie schelpen
Tekst: Lodewijk van Duuren, 8 november 2007
Over Linnaeus en schelpen
Dit jaar is in verschillende landen de 300e geboortedag van Linnaeus (1707-1778) gevierd. Ook in Nederland is op verscheidene plaatsen waar hij in de periode 1735 tot 1738 verbleef aan dit feit aandacht besteed. Linnaeus is in Nederland bekend onder de bijnaam bloemenkoning. Hij was echter van vele markten thuis, zoals blijkt uit zijn collectie en studie van schelpen.
Belangstelling voor schelpen
Linnaeus’ belangstelling voor schelpen dateert al uit zijn studententijd. Toen hij in 1727 aan de Universiteit van Lund begon te studeren, wilde hij onderwijs volgen bij van één van de Zweedse meest eminente professoren uit die tijd, Dr Kilian Stobaeus (1690-1742). Stobaeus was niet meteen onder de indruk van de jonge Linnaeus, maar dit veranderde toen Linnaeus regelmatig Stobaeus’ colleges over mollusken ging volgen. Met deze strategie verwierf hij de niet alleen de vriendschap van Stobaeus maar is waarschijnlijk ook zijn interesse voor schelpen gewekt.
Collectie Linnaeus
Linnaeus heeft tijdens zijn leven een aanzienlijke collectie schelpen opgebouwd. Het zou na de collectie van Koningin Louisa Ulrica (1720–1782), de beste van heel Zweden zijn. In een document ontdekt na zijn dood, stelt Linnaeus dat zijn schelpenkabinet ten minste 12.000 dalers waard is.
Veel schelpen uit zijn collectie zijn afkomstig van plaatsen die Linnaeus nooit heeft bezocht. Deze schelpen zullen voor een deel door aankopen in zijn collectie terecht gekomen zijn. Zo bezocht hij in 1731 Stockholm, waar hij een groot aantal schelpensoorten voor zijn collectie verwierf. Zijn collectie is echter waarschijnlijk vooral gegroeid door schenkingen vanuit de hele wereld van enthousiaste volgelingen en ex-leerlingen.
Na de dood van Linnaeus in 1778 beheerde zijn zoon Carl Linnaeus jr. (1741-1783) de collectie. In 1784, een jaar na diens dood verkocht de weduwe van Linnaeus de boeken, manuscripten en collecties aan de Engelse plantkundige Sir James Edward Smith (1759-1828). Na de dood van Smith in 1828 is de gehele collectie ondergebracht bij de Linnean Society of London. James Edward Smith was medeoprichter en voorzitter van de Linnean Society in Londen. De collectie schelpen bevindt zich in de “strong room” van dit genootschap. Sommige soorten in de collectie dragen nog de nummers uit Systema Naturae of andere opmerkingen van de hand van Linnaeus, zoals de soort Buccinum bezoar Linnaeus, 1758 (nu Rapana bezoar), gemerkt “473 Bezoar”.
Koninklijke collecties
Behalve zijn eigen collectie heeft Linnaeus ook andere collecties bestudeerd en beschreven. Zo beschreef hij enkele schelpen uit de collectie van Adolf Friedrich (1710-1771), koning van Zweden in een publicatie uit 1754. In 1751 kreeg hij opdracht van de Zweedse Koningin Louisa Ulrica haar collectie te beschrijven. In 1764 werd de catalogus van deze collectie gepubliceerd in Museum S.R.M. Ludovicae Ulricae Reginae. De meeste van de 434 in Museum Ulricae beschreven schelpensoorten zijn grote exotische schelpen en veel er van zijn nog steeds te zien in de Museum Louisa Ulricae verzameling van de Universiteit van Uppsala.
Omstreeks 1750 gaf Linnaeus H.C.von Krus (1720-1787) opdracht om de meer dan 400 schelpen van het museum van Koningin Louisa Ulrica te schilderen. Deze ongepubliceerd schilderingen zijn nu gehuisvest in de Royal Swedish Academy of Sciences. Het was de bedoeling dat deze de illustraties Linnaeus’ catalogus van de collectie van de Koningin zouden sieren, maar de catalogus werd echter uitgegeven zonder de platen.
Ook tijdens zijn verblijf in Nederland blijft Linnaeus belangstelling voor schelpen houden. Enkele dagen na zijn aankomst in Amsterdam bezoekt Linnaeus op 15 juni 1735 de beroemde Amsterdamse apotheker Albertus Seba. Deze bezat een grote collectie schelpen en Linnaeus is dan ook erg onder de indruk van zijn naturaliën-kabinetten. Als in Leiden in 1735 de eerste druk van Linnaeus’ Systema Naturae uitkomt, hebben ook de schelpen daar een plaats gekregen.
Systema Naturae
In zijn boek Systema Naturae heeft Linnaeus, een groot deel,van de toen bekende fauna benoemd en beschreven. Iedere soort met een soortnaam bestaande uit een genusnaam en een soorttoevoegsel. Dit is het binominale systeem dat Linnaeus heeft geïntroduceerd en dat nog steeds geldig is voor de wetenschappelijke benaming van soorten.
De tiende druk van Systema Naturae in 1758 geldt officieel als het startpunt van de wetenschappelijke nomenclatuur.
In deze tiende druk zijn 683 soorten weekdieren beschreven geplaatst in 39 genera. Twee van deze genera, die evenals enkele andere “weekdiergenera”, volgens de huidige inzichten ook andere diergroepen bevatten, behoren heden ten dage niet meer tot de weekdieren. Het zijn Monoculus (met Monoculus telemus, Cavolinidae), nu een Copepode genus en Serpula (met 5 soorten weekdieren), nu een genus van de kalkkokerwormen. De namen en de betekenis van de 37 overgebleven genera zijn opgenomen in de map Lineaanse genera.
De weekdieren zijn op één na ondergebracht bij de Vermes (wormen), een groep die een beetje een vergaarbak van uiteenlopende diergroepen is. De weekdiergenera zijn geplaatst in vier orden:
- Insecta Aptera (=vleugelloos) met Monoculus telemus
- Vermes I Intestina met Teredo
- Vermes II Mollusca met Limax, Doris, Tethys, Scyllaea en Sepia
- Vermes III Testacea met 32 genera.
In Systema Naturae 10e druk komen nog geen families voor, die zullen later aan de stamboom van de natuur toegevoegd worden.
Volgens de nu geldende indeling van weekdieren is één vertegenwoordiger van de Scaphopoda: Dentalium, één van de Polyplacophora: Chiton, drie Cephalopoda: Sepia, Argonauta en Nautilus, 19 Gastropoda (“Monoculus”, Limax, Doris, Tethys, Scyllaea, Conus, Cypraea, Bulla, Voluta, Buccinum, Strombus, Murex, Trochus, Turbo, Helix, Nerita, Haliotis, Patella, “Serpula”) en 15 Bivalvia.(Teredo, Pholas, Mya, Solen, Tellina, Cardium, Donax, Venus, Spondylus, Chama, Arca, Ostrea, Anomia, Mytilus, Pinna).
Het probleem voor latere onderzoekers vormden het feit dat in Systema Naturae geen illustraties zijn opgenomen en de beschrijvingen heel beknopt zijn. Dat maakt het lastig om vast te stellen welke soorten Linnaeus nu precies bedoeld heeft.
De 683 weekdiersoorten die Linnaeus heeft beschreven vormen maar een klein gedeelte van de nu bekende soorten, maar zij zijn als het beginpunt van de wetenschappelijke benaming van soorten en genera van groot belang.
Bronnen
S. Peter Dance (1986) A history of shell collecting. Leiden, E.J. Brill.
Lodewijk van Duuren (2007) Carl Linnaeus in Nederland. VDP bulletin 93. jrg 24 (juli): 3-7.
Harry G. Lee (2007) Linnaeus on Mollusks. www.jaxshells.org/linn.htm
Kathie Way (2007) The Linnean shell collection at Burlington House. In: B. Gardiner and M. Morris (eds.) The Linnean Special Issue No. 7. The Linnean Collections. 37-46.

