Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANM Etymologie Landslakken Succinea
Navigation
Document Actions

Succinea

Barnsteenslakken


Barnsteenslakken - Succineidae

Succinea putris Gewone barnsteenslak
Succinea oblonga Langwerpige barnsteenslak

Plinius weet te vertellen dat barnsteen van een dennenboom afkomstig is en leidt de Latijnse naam voor barnsteen, succinum af van succus = sap. Barnsteen, ook wel succiniet genoemd, is inderdaad de gele tot goudbruine, doorschijnende gefossiliseerde hars van dennenbomen. Barn komt van branden of stralen. In het hars zijn soms insecten terecht gekomen, die in het barnsteen goed geconserveerd zijn.
Dat de bruine en doorschijnende huisjes van de barnsteenslakken zo genoemd zijn, is met het bovenstaande voldoende verklaard. Ook de genusnaam Succinea, waarvan de familienaam Succineidae is afgeleid, is daarmee eveneens duidelijk. De meest voorkomende soort Succinea putris heeft de naam Gewone barnsteenslak gekregen. Ook in Duitsland komt de soort algemeen voor en heet daar Gemeine (= algemene) Bernsteinsnecke. Het tweede deel van de naam putris betekent in het Latijn vermolmd of verrot. Dit slaat waarschijnlijk op de eigenschap van veel slakken dat ze zich voeden met halfvergane delen van planten.

Barnsteenslakken komen op plaatsen voor die altijd nat zijn, zoals in moerassen en aan de oevers van rivieren en andere wateren, sommige soorten leven amfibisch. De Franse naam ambrette amphibie slaat op deze eigenschap. Het Engelse amber en het Nederlandse gele amber voor barnsteen is terug te vinden in de Engelse naam large ambersnail.

Succinea oblonga (synoniem Succinella oblonga) lijkt veel op de Rode barnsteenslak (Catinella arenaria) maar is wat slanker, vandaar de naam langwerpige barnsteenslak en het soortepitheton oblonga = langwerpig.