Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANM Etymologie Landslakken Monacha
Navigation
Document Actions

Monacha

Karthuizerslakken

Monacha

Monacha cartusiana

Monacha cantiana


De Karthuizers is een orde die de heilige Bruno uit Keulen in 1084 bij Grenoble stichtte en waaruit de moederklooster de Grande Chartreuse is voortgekomen. Iedere Karthuizer monnik leeft als een soort kluizenaar en heeft in het klooster een eigen huisje met tuintje. De huisjes liggen rond een overdekte kloostergang. De monniken dragen een wit wollen habijt met een scapulier (schoudermantel) en een leren gordel. Chartreuse is ook de naam van de likeur die de monniken maken. Karthuizer komt van het Franse Chartreuse, dat in het Latijn Carthusia heet.
Wat hebben Karthuizerslak, Kartäuserschnecke (Dld.), Cartusian snail (Eng.), Caracol cartusiano (Sp.) en Hélice chartreuse nu te maken met de Karthuizer orde. Omdat ieder slak als een kluizenaar in zijn eigen huisje leeft geldt voor alle slakken met de crême-witte huisjes van de karthuizerslak, die refereren aan de witte wollen habijten van de Karthuizers heeft mogelijk de doorslag gegeven bij de naamgever van deze soort. Monachus is in het Latijn monnik of kluizenaar. Monacha cartusiana is dus vertaalt Karthuizer monnik.
De tweede Nederlandse soort uit dit geslacht is Monacha cantiana, de grote karthuizerslak of in het Duits Grosse Kartäuserschnecke. In het Engels heet de soort Kentish snail en de soortnaam cantiana betekent van Kent. Een groot deel van het verspreidingsgebied in Noordwest Europa ligt in Zuid- en Oost Engeland, zodat een verwijzing naar Kent als pars pro toto niet zo uitzonderlijk is. In een Nederlandse vertaling van Michael Climay “Dieren en planten in de tuin”, is deze soort begijntje genoemd. Missschien een geintje van de vertaler P. Heukels, immers begijntjes wonen ook elk in een eigen huisje.