Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANEMOON Spuisluis 2002 Schaalhorens, Patella vulgata, in Zeeland
Navigation
Document Actions

Schaalhorens, Patella vulgata, in Zeeland

Schaalhorens, Patella vulgata (Linnaeus, 1758), in Zeeland.
Tekst ingezonden door Freek Titselaar. Foto's Peter H. van Bragt, 23-01-2002

Schaalhorens zijn zeeslakken met een dikke schelp in de vorm van een nap of hoedje. Ze leven op stenen en rotsen in het getijdengebied en schrapen algen met hun 'radula', een soort tong bezet met keiharde tanden. Schaalhorens komen vrijwel over de gehele wereld voor en worden plaatselijk verzameld voor consumptie. Op de Canarische Eilanden, Madeira en de Azoren zijn de dieren om die reden op veel plaatsen langs de kust verdwenen. De schaalhoren, Patella vulgata (Linnaeus, 1758) kwam vroeger algemeen voor op dijken en pieren in heel Zeeland. Nadat de Deltawerken waren voltooid nam de soort sterk in aantal af omdat veel zout getijdengebied verloren was gegaan. Recentelijk onderzoek wijst echter uit dat de schaalhorens in de Oosterschelde aan een come back werken. De dieren kunnen daarbij gemakkelijk over het hoofd worden gezien tussen de woekerende Japanse oesters, Crassostrea gigas (Thunberg, 1793). De grootste aantallen worden momenteel geteld langs de dijken van Noord-Beveland en op de Westkapelse Zeedijk te Walcheren. In de Westerscheldemonding leeft o.a. een fraaie populatie op de verticale wanden van de oude veerhaven te Breskens. Verder kunnen de dieren in redelijke aantallen worden aangetroffen langs dijken en pieren van de zuidkust van Schouwen Duiveland. De reden voor de come back van de schaalhoren is speculatief. Een combinatie van factoren kan een rol spelen. De waterkwaliteit is verbeterd en de winters waren de laatste jaren relatief zacht.

Foto 1: Schaalhoren, Patella vulgata © Peter H. van Bragt

Foto 2:Schaalhoren, Patella vulgata © Peter H. van Bragt

Rotsen en grotere stenen zijn geschikte habitats voor deze grazers, die leven van algen. Het oppervlak van rotsen en stenen kan sterk uiteenlopen van vlak en glad tot grillig en ruw. In Nederland is Patella vulgata L., 1758 aangetroffen op de houten palen, die een vast onderdeel vormen van de zeeweringen. Patellidae leven in het getijdengebied en het boven-litoraal en prefereren ondiep water. Ze kunnen worden aangetroffen van de spatzone tot op een diepte van zes meter (pers. obs.). Sommige soorten hebben een sterke voorkeur voor getijdenpoelen. Van bepaalde soorten wordt aangenomen dat zij gedurende hun leven van ondiep naar dieper water migreren (Hawkins et al., 1990). De Patellidae eten algen, waarbij zij zich al radula raspend zigzag door de algenlaag werken. In de regel is er sprake van een subtiel evenwicht tussen de hoeveelheid algen die wordt weggegraasd en de groei ervan (Fretter & Graham, 1994). De dieren leggen tijdens het grazen afstanden af tot maximaal anderhalve meter. Vaak keren de dieren terug naar hun oorspronkelijke rustplek. Het mechanisme, waarmee het dier terugkeert naar zijn eigen rustplek, houdt verband met het chemisch traceren van het slijmspoor, dat door het dier werd achtergelaten. Dit homing-gedrag wordt niet bij elk individu waargenomen (Fretter & Graham, 1994; van Bree, 1959). Om uitdroging te voorkomen is het dier gedurende eb afhankelijk van zijn krachtige voet waarmee het zich aan de rotsbodem vast zuigt. De hiervoor benodigde spierspanning trekt ook aan de mantel van het dier, waardoor deze van positie verandert. Omdat de mantel verantwoordelijk is voor de groei van de schelp, ontstaan bij exemplaren die hoger in het getijdengebied leven conische vormen in tegenstelling tot lager in deze zone levende Patellidae (Powell, 1973). Deze hoger in het getijdengebied levende Patellidae trachten de overtollige warmte kwijt te raken door oppervlaktevergroting. Daartoe gebruiken zij onder andere de vele ribben en richels op de schelp (zie foto 1). Patellidae met een platte schelp verraden een leefplaats temidden van het golvende en stromende water. In dit vaak turbulente milieu zijn hoge, conische vormen geen aanrader. Een meer gestroomlijnde vormgeving (zie foto 2) roept minder turbulentie op. Toch hoeft de schelp niet glad te zijn: uit onderzoek is gebleken dat fijne, opstaande ribben de turbulentie kunnen minimaliseren (Orton & Southward, 1961; Fretter & Graham, 1994). Individuen behorende tot één soort kunnen, afhankelijk van hun leefplaats, onderling sterk verschillen. Ook daarom kunnen schelpkenmerken niet als doorslaggevend criterium gebruikt worden bij het determineren. Deze morfologische variatie binnen een soort noemen we: Ecofenotypische variatie.

Referentie: F.F.L.M. Titselaar: Schaalhorens: habitat en schelpkenmerken, in: Een revisie van de recente Europese Patellidae (Mollusca: Gastropoda) 1. De Patellidae van de Azoren, Madeira, de Selvagens en de Canarische Eilanden. Vita Marina Magazine 45(3-4) dec.-1998

Voor vragen of opmerkingen over deze waarneming kunt u terecht bij de Spuisluiswachter