Japanse knotszakpijp
Styela clava Herdman, 1882
Zoekbeeld
De Knotszakpijp is aan de bovenkant bij de in- en uitstroomopening breed en loopt naar beneden toe uit in een steeltje. Daarmee zijn de dieren vastgehecht aan een harde ondergrond. De bruine mantel is stevig en leerachtig en bezet met grotere en kleinere bobbeltjes, vooral bij de in- en uitstroomopening. De dieren zijn door begroeiing vaak aan het oog onttrokken. Let daarom op niet overgroeide in- en uitstroomopeningen, die van brede lengtestrepen zijn voorzien.
Afmetingen
Lengte tot circa 12 cm. Op breedste punt tot circa 4 cm.
Kleur
De dieren zijn bruin, soms gelig bruin. In- en uitstroom opening zijn voorzien van licht- en donkerbruine lengtestreepjes of bredere banden.
Habitat
De dieren zijn solitair maar worden vaak met meerdere exemplaren bij elkaar waargenomen. Ze leven op allerlei substraat zoals stenen, schelpen, palen, pontons en aan in het water hangende touwen in havens. Op boeien en pontons soms honderden per vierkante meter. Ze groeien vrijwel nooit op wieren, maar ze zijn wel vaak op soortgenoten aangetroffen. In tegenstelling tot de Doorschijnende Zakpijp verdraagt de Knotszakpijp slibrijk water goed.
Verspreiding
De soort wordt in 1994 voor het eerst in Nederland waargenomen. Vanaf 1996 is de soort in de Oosterschelde, en vanaf 1980 in de Grevelingen gezien. Tegenwoordig komt de soort algemeen voor langs onze kust.
Opmerkingen
- De soort wordt ook wel Japanse zakpijp genoemd, omdat deze soort oorspronkelijk uit de omgeving van Japan, Korea en Siberiƫ komt. De soort is pas in 1954 voor het eerst waargenomen in de buurt van Plymouth (Groot Brittaniƫ).
- De dieren zijn vaak begroeid met kolonievormende zakpijpen als Botryllus schlosseri.

