Amerikaanse boormossel
Petricola pholadiformis Lamarck, 1818
Afmetingen:
35 x 80 mm
Vorm:
Vrij stevige, langgerekte schelp. De bovenrand is niet omgeslagen. De top ligt ver buiten het midden, ongeveer op 4/5 van de achterrand.
Sculptuur:
Vanuit de top stralende ribben, gekruist door groeilijnen. De ribben in het gedeelte onder de top dragen duidelijke schubvormige uitsteeksels.
Binnenzijde (mantellijn en spierindruksels):
Mantellijn met een bocht
Kleur:
Kalkwit of geelwit. Oudere exemplaren zijn vaak bruingeel verkleurd.
Habitat:
De dieren leven in zelf geboorde gaten in matig hard tot vrij hard substraat.
Voorkomen:
Algemeen in voor de kust aanwezige veenplaten en wrakhout. Ook plaatselijk in slikgebieden in stevige klei en in mosselbanken.
Op het strand:
Langs de gehele zuidoostelijke Noordzeekust regelmatig te vinden in aangespoeld hout en veen.
Bijzonderheden:
Feitelijk geen 'echte boormossel', maar behoord tot de Petricolidae [Pseudoboormossels]. Omstreeks 1890 met oesters ingevoerd in Groot-Brittaniƫ, van waaruit de soort zich verspreid heeft langs vrijwel de gehele zuidoostelijke Noordzeekust.
Waarnemingen doorgeven:
Heeft u een autochtone waarneming gedaan? En de soort dus levend aangetroffen in haar eigen biotoop?
Geef dit dan door via: www.telmee.nlHeeft u vragen? Mail dan naar Stichting ANEMOON via anemoon@cistron.nl

