Gestippelde mosdierslak
Thecacera pennigera (Montagu, 1815)
Zoekbeeld
Een hoge, gedrongen slak met de kieuwkrans midden op de rug. Achter de geveerde kieuwen staan twee lange vingervormige uitsteeksel. De rhinophoriën staan in een brede tweelobbige schede.
Afmetingen
De lengte is maximaal 30 mm.
Kleur
De mosdierslak behoort tot de fraaist gekleurde zeenaaktslakken van Nederland. Het transparante tot witte lichaam is regelmatig bedekt met oranje vlekken en kleine zwarte en gele stippen.
Voedsel
Deze soort leeft in Nederland uitsluitend van het struikvormige mosdiertje Bugula plumosa.
Habitat
Op hard substraat in matig stromend getijdewater, altijd waar Bugula plumosa voorkomt. Komt voor van de laagwaterlijn tot 20 m diepte.
Verspreiding
De mosdierslak is in Nederland tot nu toe alleen gevonden in de Oosterschelde en in de monding van de Westerschelde.
Eieren
De eieren vormen een brede band, die met enkele slagen in een Bugula-kolonie afgezet is.
Opmerkingen
- De mosdierslak heeft een invasiegewijs voorkomen. Vanaf 1980 is de soort alleen gezien in 1985, 1990, en 1997/1998. In elk van de perioden in toenemende mate.
- Dieren en eieren zijn gevonden in het najaar, van september tot begin november.
- Ondanks de bonte kleur is de mosdierslak redelijk goed gecamoufleerd tussen de kolonoies Bugula plumosa. Als er niet speciaal op wordt gelet, ziet men de soort gemakkelijk over het hoofd. Vaak vallen de eisnoeren eerder op.

