Groene wierslak
Elysia viridis (Montagu, 1804)
Zoekbeeld
Langgerekte dieren, met twee zijwaartse 'vleugels' die normaal over de rug gevouwen zijn en vóór het midden het breedst zijn. Bij grotere dieren zijn de vleugelranden gegolfd en kunnen de vleugels niet meer strak tegen het lichaam worden gevouwen. In de vleugels zitten uitlopers van de middendarmklier. De vleugels worden niet gebruikt om te zwemmen. De kop draagt twee in de lengte buisvormig opgerolde reuksprieten.
Afmetingen
lengte tot 70 mm, maar vaak kleiner.
Kleur
De dieren zijn meestal groen, soms rood of gelei-wit, met kleine blauwe of rode puntjes. De basiskleur van het lichaam wordt veroorzaakt door de 'bladgroenkorrels' van de gegeten algensoort. Deze 'bladgroenkorrels' worden ingebouwd in de lichaamscellen van de slak, waardoor de slak direkt van de door de korrels geproduceerde organische stof (onder invloed van zonlicht) profiteert.
Voedsel
De Groene wierslak leeft van bepaalde soorten groenwier zoals Onregelmatig vederwier (Bryopsis hypnoides) en Viltwier (Codium tomentosum), en roodwieren zoals Griffithsia-soorten
Habitat
Door de voedsekeuzel is de soort beperkt tot de wierzone, vooral daar waar uitgebreide wiervegetaties voorkomen. Geoonlijk vanaf de laagwaterlijn tot enkele meters diepte.
Verspreiding
In Nederland tot op heden alleen invasiegewijs in Zeeland (Oosterschelde, monding Westerschelde). Van elders is de soort niet bekend. De laatste invasie dateert uit de periode 1989-1995.
Eieren
De gelige eieren worden in een gladde ronde of ovaal spriraalvormig lint afgezet, meestal op wieren (fig. 2b).
Opmerkingen
- De dieren zijn het hele jaar door waargenomen. De eieren in de periode juni-december.