Kleine vlokslak
Aeolidiella glauca (Alder & Hancock, 1845)
Zoekbeeld
De Kleine vlokslak lijkt veel op kleine exemplaren van de Grote vlokslak maar hij is slanker en heeft relatief kortere papillen. De papillen zijn rond en in kammen gerangschikt. De voorrand van de voet is aan beide zijden spits uitgetrokken. De meeste dieren hebben een oranje waas op de rug.
Afmetingen
Lengte tot 45 mm.
Kleur
Vooral op de kop, rhinophoriën, rug en voorste papillen een oranje waas. Het lichaam is verder wit, met verspreid kleine witte pigmentvlekjes. De papillen hebben meestal een grijzige inhoud. Volwassen dieren zijn niet grijzer gepigmenteerd, zoals dat vaak bij de Grote vlokslak het geval is. De punten van de papillen en de koptentakels zijn wit gekleurd. De punten van de rhinophoriën zijn meestal licht geel gekleurd.
Voedsel
De kleine vlokslak leeft van Gewone slibanemonen. Gewone golfbrekeranemonen en andere zee-anemonen worden mogelijk ook gegeten.
Habitat
De kleine vlokslak leeft op zanderige slibbodems en op of nabij hard substraat, in gebieden waar veel slibanemonen voorkomen. Hij prefereert plaatsen zonder of met geringe getijdestroming. Daarom wordt hij vaker aangetroffen in de Grevelingen dan in de Oosterschelde.
Verspreiding
Sinds de jaren '80 algemeen in de Grevelingen en Oosterschelde. Zeer zeldzaam in de Waddenzee.
Eieren
Het eisnoer is een gladde, niet gekronkelde spiraal met insnoeringen. Het wordt doorgaans op een vlakke ondergrond zoals oesters en stenen afgezet. maar er zijn ook eisnoeren op zacht substraat zoals Japanse knotszakpijpen aangetroffen.
Opmerkingen
- De dieren worden geslachtsrijp vanaf een lengte van ± 20 mm
- Volwassen dieren met eieren zijn meestal van mei-oktober te vinden. De grootste aantallen treffen we in juni-augustus aan.
- De periode dat ze eisnoern afzetten valt na die van de Grote vlokslak
- Het is een typische west-Europese soort. Hij komt voor van Noorwegen tot Frankrijk en rond de Britse eilanden.

