Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANEMOON Soortinformatie inktvissen Dwerg pijlinktvis
Navigation
Document Actions

Dwerg pijlinktvis

  • Loligo (Alloteuthis) subulata Lamarck, 1798                     

Tekst: A.W. Gmelig Meyling & I. van Lente, 2-10-2011.

 

Synoniemen

Deze soort werd vroeger vooral geplaatst in het genus Alloteuthis (tegenwoordig soms gezien als subgenus).

 

Zoekbeeld

Inktvis met een slank pijlvormig lichaam, uitlopend in een scherpe punt, die met name bij het mannetje lang is (tot een derde van het totale lichaam).
De punt van de dorsale mantelrand steekt naar voren over de verbinding met de kop, maar is er niet mee vergroeid.
Vinnen vanaf de rug bezien hartvormig, beginnend op ongeveer één derde van de mantellengte.
Op de vangarmen (8 korte plus twee iets langere) steeds twee rijen zuignapjes.
De lepels aan de beide tentakels zijn weinig opvallend en hebben vier rijen zeer kleine zuignapjes.
Ogen schijfvormig, vrij groot.


Kleur

  • Lichaam paarsroze tot bruin of lila, gevlekt door grote en kleinere chromatophoren.
  • Het kleurpatroon wordt uitsluitend gevormd door rode en gele chromatophoren.
  • Aan de dorsale (rug-)zijde zijn meer gele dan rode chromatophoren, maar de rode chromatophoren zijn wel groter.
  • Aan de ventrale (buik-)zijde is het andersom, met meer rode dan gele chromatophoren.
  • Het rugschild, de gladius, is chitineachtig, doorschijnend, met hoogstens een gelige zweem.

 

Afmetingen

Lengte hele dier ♂ 200mm, ♀ 170mm.  (Mantellengte ♂ 140mm, ♀ 120mm).

 

Nadere kenmerken

  • Bij de mannetjes loopt het lichaam nog sterker uit in een scherpe punt.
  • Bij het mannetje is de vierde arm links gehectocotyliseerd, waarbij de top is omgevormd om de spermatoforen over te brengen.
  • De gladius is slank en veervormig en zit inwendig, aan de rugzijde.
  • De wetenschappelijke naam komt van het Griekse woord teuthis (hartloze inktvis). Allo- komt van het Griekse allos = ander (ter onderscheiding van andere genera inktvissen en het vissengenus Teuthis). De soortnaam subulata (Lat.) = priemvormig.
  •  De Nederlandse naam slaat op de pijlvorm en de afmetingen ten opzichte van grotere pijlinktvissen, zoals de Loligo-soorten.

 

Seizoenspatroon

  • Trekt in het voorjaar naar de kust om eieren af te zetten, waarna volwassen dieren afsterven
  • De jonge dieren trekken in het najaar naar het diepere en dan warmere water in het midden van de Noordzee.
    De watertemperatuur bepaalt daarbij hoever ze van de kust wegtrekken

 

Opmerkingen

  • Pelagische fauna. Bewoner van ondiepe kustwateren, die vlak boven de bodem leeft.
  • De dwerginktvis is in de Noordzee de meest voorkomende inktvis.
    In Nederland wordt de dwergpijlinktvis tot vlak voor de kust, in het Waddengebied en in de Zeeuwse wateren waargenomen.
  • Dieren en schelpen spoelen een heel enkele keer in de zomer, na het paaien, aan op de kust.
  • Het voedsel bestaat uit kleine vis en garnalen.
  • De dieren zijn van gescheiden geslacht.
  • De eieren zijn ingekapseld in gelatineachtige, ongekleurde trosjes, die meestal doorzichtig zijn en met een steeltje op wier of ander substraat worden vastgemaakt.
  • Van de Shetland Eilanden tot in de Middellandse Zee. Ook hier vooral dicht langs de kust.

 

Literatuur

  • Boer, P., 1971. Het voorkomen van inktvissen langs de Nederlandse kust. Het Zeepaard 31 (4): 65-77.
  • Breure, A.S.H., 1941. Teuthologische aantekeningen. IV. Alloteuthis subulata (Lamarck). Basteria 6 (1-2): 11-21.
  • Cornwell, C.J., J.B. Messenger & R.T. Hanlon, 1997. Chromatophores and Body Patterning in the Squid Alloteuthis Subulata. Journal of the Marine Biological Association of the United Kingdom, 77: 1243-1246.
  • Heij, A. de & R.P. Baayen, 1999. Seasonal distribution of the cephalopod Allotheuthis subulata in the central and southern North Sea. Basteria 63 (4-6): 129-138.
  • Heij, A. de, 1997. Inktvissen in de zuidelijke Noordzee. Corresp.-blad Ned. Malac. Ver. 296: 56-61.
  • Hoeksema, B.W., 1981. Rugschilden en eiersnoeren van Alloteuthis subulata (Lemarck, 1796). Het Zeepaard 41 (5): 144-146.
  • Kristensen, I., 1966. De inktvissen langs de Nederlandse kust. Corresp.-blad Ned. Malac. Ver. 118: 1240-1243.
  • Lacourt, A.W. & P.H.M. Huwae, 1981. De inktvissen (Cephalopoda) van de Nederlandse kust. Wet. Med. KNNV 145: 32 p.
  • Vanhaelen, M.-Th., 1994. Eikapsels van de dwergpijlinktvis Alloteuthis subulata (Lamarck, 1798) De Strandvlo 14 (3): 81-82.

 

Links

http://www.anemoon.org/anm/etymologie/inktvissen/alloteuthis/
http://www.marinespecies.org/aphia.php?p=taxdetails&id=153131