Ringsprietgarnaal
Pandalus montagui Leach, 1814
Tekst: M. Faasse. Versie 23-3-2008.
Zoekbeeld
De Ringsprietgarnaal is min of meer doorzichtig, met een patroon van schuine, rode streepjes. Het rostrum is relatief lang. De voorste helft van het rostrum is duidelijk naar boven gebogen. De scharen zijn heel klein en met het blote oog niet of nauwelijks te zien.
Afmetingen
Lengte tot 8 cm.
Kleur
De Ringsprietgarnaal is min of meer doorzichtig, met vele rode streepjes. Op het achterlijf lopen die streepjes niet verticaal, zoals bij de Gewone en de Gezaagde steurgarnaal, maar schuin. De lange sprieten vertonen een rood/wit zebrapatroon. Hiervan is de Nederlandse naam Ringsprietgarnaal afgeleid. Bij de op deze soort lijkende Roodsprietgarnaal zijn alleen de kleinere sprieten geringd met smalle witachtige ringetjes.
Nadere kenmerken
De schaarpoten van de Ringsprietgarnaal bezitten een groot aantal kleine geledingen, die zorgen voor een grote beweeglijkheid. Het lijkt daardoor alsof een gedeelte van de schaarpoten buigzaam is. De bovenkant van het rostrum is voorzien van circa 10 tandjes. Iets achter de oogkassen liggen 3-4 tandjes. Op het naar boven gekromde gedeelte van de voorste helft van het rostrum staan geen tandjes. De onderkant draagt 5-6 tandjes. De punt van het rostrum eindigt in twee tandjes.
Habitat
Ringsprietgarnalen komen vooral voor in het gebied beneden de wierzone. Het zijn nogal schuwe dieren. Ze worden af en toe op allerlei plaatsen waargenomen, maar de soort is niet echt algemeen te noemen.
Verspreiding
De Ringsprietgarnaal is bekend van de Oosterschelde en van de Westerschelde-monding, de Noordzee en het Waddengebied. Waarschijnlijk komt de Ringsprietgarnaal niet voor in het Veerse Meer en de Grevelingen.
Opmerkingen
- De Ringsprietgarnaal trekt waarschijnlijk in de winter de zeegaten uit.

