Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANEMOON Soortinformatie bloemdieren Bloemdieren
Navigation
Document Actions

Bloemdieren

Zee-anemonen worden, samen met enkele verwante groepen ook wel 'bloemdieren' genoemd. Het zijn echter geen bloemen maar dieren. Vanwege de prachtige kleuren en sierlijke vormen beschouwt men ze als de 'bloemen van de zee': een lust voor het oog van ieder duiker.

Tekst: A.W. Gmelig Meyling, 24-4-2007

 

Vorm, uiterlijk en functies

Bij de meeste zeeanemonen zijn voetschijf, zuil, mond-schijf en tentakels te onderscheiden. Met de voetschijf 'zuigen' ze zich vast aan een harde ondergrond. Ze kunnen zich echter (langzaam) verplaatsen. De voetschijf gaat naadloos over in de zuil. Deze is cilindervormig, bij sommige soorten breder dan hoog, bij andere juist heel smal. Boven de zuil bevindt zich de mondschijf, waaruit de tentakels komen. In het centrum van de mondschijf is meestal een opening te zien, die we mond noemen, maar welke  in feite ook dienst doet als anus. Met name de tentakels bevatten veel netelcellen. In deze netelcellen ligt een aangespannen, spiraalvormig opgerolde draad, die bij aanraking krachtig naar buiten schiet en op de prooi een microscopisch 'harpoentje' afschiet. Dit harpoentje bevat giftige stoffen die verlammend kunnen werken, maar ook weefselafsterving kunnen veroorzaken. Weer andere netelcellen schieten lange kleverige draden af waarmee de prooi wordt 'vastgeplakt'. De bouw van de tentakels verschilt van soort tot soort. Zo heeft de Zeeanjelier veel zeer kleine tentakels, waarmee het vooral erg kleine diertjes vangt. De Zeedahlia daarentegen, heeft veel minder, maar wel zeer dikke tentakels, waarmee de dieren ook grote prooien, zoals krabben en garnalen kunnen vangen. Eenmaal gevangen en door netelcellen half verdoofd, wordt de prooi met tentakels door de mond de lichaamsholte ingewerkt, alwaar de vertering plaatsvindt. Onverteerbare resten worden via de mond weer uitgescheiden.


Bij sommige soorten zijn specifieke organen waar te nemen. Zo bevinden zich bij de Rode Paardeanemoon aan de rand van de mondschijf onder de tentakelkrans blauwe knobbels, de 'acrorhagi'. Wanneer de Sierlijke slibanemoon wordt verstoord door aanraking, worden witte neteldraden uitgestoten. Deze draden die zich normaal in de lichaamsholte bevinden worden 'acontia'  genoemd.

 

Systematiek

De meeste Nederlandse bloemdieren zijn opgebouwd uit kransen van zes tentakels. Ze worden daarom ingedeeld bij de Hexacorallia (hexa = zes). De kransen zijn echter vaak niet gemakkelijk te onderscheiden. Bovendien kan de zeszijdige symmetrie zijn verstoord doordat de dieren zich door deling of afsplitsing hebben voortgeplant.

De Dodemansduim is de enige Nederlandse soort die tot de Octocorallia behoord. Kenmerkend voor deze groep is dat de dieren altijd bestaan uit kolonies van met elkaar vergroeide 'anemoontjes'. Deze worden poliepen genoemd en hebben altijd acht geveerde tentakels (octa = acht). Bij de Dodemansduim zijn holten in de langgerekte poliepen door een dicht netwerk van kanalen met elkaar verbonden.

 

Ecologie en leefwijze

De Nederlandse bloemdieren kunnen in verschillende zout- en brakwatermilieus worden aangetroffen. De meeste soorten kunnen slecht tegen uitdrogen en leven daarom vooral beneden de laagwaterlijn. Drie soorten leven juist vooral in de getijdezone. De Groene golfbrekeranemoon en de Kleine slibanemoon worden vooral in getijdepoelen aangetroffen. De Rode paardeanemoon leeft zeer hoog in de getijdezone en is bij laagwater vaak als rood bolletje (tomaatjes) hangend onder grote stenen of in spleten tussen basaltblokken waar te nemen. Vooral de Rode paardeanemoon en Kleine slibanemoon hebben een voorkeur voor plaatsen met veel golfslag en stroming. De Gewone slibanemoon leeft  in water waar slib kan bezinken. Hetzelfde geldt, in nog sterkere mate, voor de Weduweroos. Op één na leven alle Nederlandse soorten vastgehecht aan stenen, schelpen, palen, pontons en dergelijke. De Viltkokeranemoon is de enige waarvan de voet zich niet kan hechten aan een vaste ondergrond. Deze soort leeft in een zelfgemaakte koker die tot diep in de zachte bodem steekt. De Gewone slibanemoon lijkt meestal eveneens 'onverankerd' te leven in zachte bodems. Dit is echter maar schijn. Deze soort hecht zich namelijk bij voorkeur aan substraat dat is bedekt met zacht bodemmateriaal.

 

Voedsel

Het voedsel loopt per soort sterk uiteen. Zo zijn Zeeanjelieren gespecialiseerd in het vangen van micro-organismen, terwijl Zeedahlia's met hun dikke tentakels hele krabben of visjes naar binnen werken. In dit verband is het aardig te vermelden dat de Spinkrab (Hyas araneus) dwars door een zeeanemoon heen kan wandelen, zonder dat hem iets overkomt. De krab schijnt de tentakelkrans juist voor zijn eigen bescherming te gebruiken door er onder te kruipen.

 

Predatie

Hoewel anemonen door meerdere vissoorten gegeten worden, staan ze niet op het hoofdmenu. Vijanden die uitsluitend leven van anemonen zijn alleen zeenaaktslakken als de Kleine vlokslak (Aeolidiella glauca) en diens familielid de Grote vlokslak (Aeolidia papillosa). Daarnaast is er het Michelinmannetje (Pycnogonum littorale), dat met zijn scherpe snuit anemonen uitzuigt. Op de Dodemansduimen dieper in de Noordzee leeft verder nog de Kleine tritonia (Tritonia plebeia) eveneens een zeenaaktslak die echter slechts zelden in het nabije kustgebied wordt aangetroffen.

 

Voorplanting

Zee-anemonen kunnen zich op meerdere manieren voortplanten. Waarschijnlijk doen alle Nederlandse soorten dat op z'n tijd geslachtelijk, door eieren en sperma in het zeewater te lozen. Daarnaast doen ze het ook vaak ongeslachtelijk.Van de Rode paarde-anemoon en Kleine slibanemoon is aangetoond dat eieren zich zonder bevruchting in het moederlichaam kunnen ontwikkelen. De jonkies kunnen zich vrij door de lichaamsholte van moeder bewegen en zijn soms te zien in de holle tentakels. Af en toe worden ze dan door haar uitgebraakt. Bij de Rode paardeanemoon gaat dat gepaard met veel slijm. Bij de Zeeanjelier, Sierlijke slibanemoon en Gewone golfbrekeranemoon kunnen kleine stukjes voetschijf los laten. Ieder stukje kan uitgroeien tot een nieuwe zeeanemoon. Groene golfbrekeranemonen zijn zelfs in staat zich geheel in tweeën te delen, van boven naar beneden.

 

Gedrag

Zeeanemonen lijken niet erg beweeglijk, maar wie de tijd neemt, kan aardige waarnemingen doen. Zo zijn de dieren in staat zich op hun voetschijf kruipend te verplaatsen, ongeveer zoals een slak. Daarnaast kunnen ze zich opblazen, loslaten en zich dan door zeestromingen laten meevoeren. Wie de dieren wil zien bewegen kan ze voorzichtig aanraken. Bij een soort als de Zeedahlia voel je dan de tentakels 'kleven'. Bij de meeste soorten sluit de mondschijf zich om de tentakelskrans heen, zodat de tentakels niet meer zichtbaar zijn. Toch reageren ze niet allemaal precies hetzelfde. Zo trekt de Zeeanjelier de tentakels tamelijk traag in. De Gewone golfbrekeranemoon doet dit schoksgewijs en sneller en kan bovendien een knikkende houding aannemen. De Dodemansduim trekt de 'poliepjes' zelfs helemaal naar binnen. De Gewone slibanemoon trekt zich terug in de bodem, de Viltkokeranemoon doet dat zelfs bliksemsnel en de Sierlijke slibanemoon stoot kenmerkende witte neteldraden (acontia) uit door gaten in de wand. Boeiend zijn ook de vechttentakels, die geregeld worden gezien bij Golfbrekeranemonen, Zeeanjelieren en slibanemonen. De vechttentakels,  per individu meestal maar enkele,  zijn doorzichtig en kunnen tot wel acht keer zo lang worden als gewone tentakels. Waarschijnlijk dienen ze vooral om soortgenoten op afstand te houden. Rode paardeanemonen zouden elkaar betwisten met hun uitstulpbare blauwe zakjes (acrorhagi) op de rand van de mondschijf.


Tot slot is het voor de duiker interessant te weten dat anemonen (zoals Gewone slibanemoon en Groene golfbrekeranemoon) 's nachts vaak mooier uitstaan dan overdag. Vooral Gewone slibanemonen steken hun tentakelkrans vaak verder boven het slib uit en zelfs het bovenste deel van de zuil is dan te zien.