Geschiedenis van het SMP
-
Inleiding
Wie geregeld naar het strand gaat en niet alleen voor de zon komt weet dat er allerlei resten liggen van dieren en planten die leven in zee. Iedere keer is het anders. Soms liggen er vele kwallen op het strand. Een paar dagen later kunnen deze weer verdwenen zijn en liggen er vooral doubletjes van de Tere strandschelp. Weer een week later zijn er vooral wulken eieren te vinden. Maar wie geregeld naar het strand gaat wordt op den duur overmand door vragen: Spoelen er ’s winters andere soorten aan dan in de zomer? Zijn er resten van soorten die vroeger wel werden gevonden en nu niet meer? Of anders om: komen er nu soorten die vroeger niet voorkwamen? Wat zeggen de veranderingen in de samenstelling van het aanspoelsel over de veranderingen in populaties voor de kust en van hoever komen de aangespoelde organismen? In onderstaand artikel gaan we die vragen beantwoorden en we zullen zien dat met systematisch aanspoelsel onderzoek interessante en nuttige informatie kan worden verkregen.
De geboorte van de eerste strandwacht
In 1977 was er een groep van Leidse biologen die geregeld naar het strand gingen om naar resten van dieren te zoeken en die zich inderdaad bovenstaande vragen stelden. Ze besloten daarom iedere week naar een zelfde stukstrand van 4 kilometer te gaan en bij laagwater zowel de laag- als hoogwaterlijn grondig te onderzoeken op alle resten van organismen uit zee. Op 5 november van dat jaar werd begonnen met het systematisch strandonderzoek en was de Strandwacht Katwijk-Noordwijk een feit. Per soort werden de aantallen die werden waargenomen op het gelijknamige traject, genoteerd op formulieren. Daarbij werd ook genoteerd in welke hoedanigheid de soorten werden aangetroffen. Want schelpdieren kunnen levend aanspoelen, maar ook als losse schelpen of als doublet (twee schelpjes nog verbonden door het zogenaamde ligament). Krabben kun je dood vinden met alle pootjes en scharen er nog aan, maar ook kan alleen een schaar of een vervellinghuidje worden gevonden.
Analyse
Vooral de eerste drie jaar van het onderzoek werden de gegevens geregeld geanalyseerd, waarbij in Het Zeepaard, vooral werd gerapporteerd welke soorten waren gevonden. In 1986 werd begonnen,met het invoeren van de bijna 500 formulieren met waarnemingsresultaten in een computer bestand. Op 5 november 1987 vierde Strandwacht Katwijk-Noordwijk met een laatste wandeling zijn 10-jarig jubileum, waarbij bijna alle Strandwachters van de afgelopen tien jaar aanwezig waren. Een unieke wandeling, maar daarna was de Strandwacht helaas verledentijd (althans voor een paar jaar). Maar de gegevens verwerking ging wel door en een grondige analyse kwam tot stand.
Tijdens de tien jaar waren er (resten van) 187 soorten waargenomen. Van 39 waren er voldoende verse resten waargenomen om deze aan een statistische analyse te onderwerpen. Want alleen waarnemingen van verse resten werden bij de ecologische analyse betrokken, omdat deze afkomstig zijn van organismen die kort voor de waarneming nog leefden. Schelpen zonder vleesresten kunnen immers afkomstig zijn van dieren die al vele duizenden jaren dood zijn.
Eerste resultaten
Het aanspoelen van veel soorten toonde duidelijke seizoenspatronen. Zo zagen we dat de Oorkwal verschijnt in april met een piek in juni. In augustus werden ze nauwelijks meer waargenomen. De piek van de Blauwe haarkwal trad op in juli, die van de Kompaskwal in augustus en die van de Zeepaddestoel eind september. Zeedruifjes spoelden vooral in april aan, maar konden in kleine aantallen wel het hele jaar door worden aangetroffen. Levende tweekleppigen en doubletten van deze groep spoelden vooral aan in het na- en voorjaar, omdat in deze jaargetijden harde wind optreedt met heftige golfslag als gevolg waardoor schelp dieren uit de bodem kunnen worden losgewoeld en daardoor op het strand kunnen belanden. Ook werd berekend welke correlaties er zijn tussen de wind en het aanspoelen. Duidelijk werd dat windrichting en windrkacht tot 11 dagen voor de waarneming nog significante invloed hebben op de kans om een soort aan te treffen en dat voor elke soort en hoedanigheid anders ligt. Kwallen spoelen na heel andere “windhistories” aan dan doubletten van tweekleppigen, maar ook voor het aanspoelen van doubletten van de Strandgaper zijn andere windopeenvolgingen nodig als voor het aanspoelen van doubletten van Nonnetjes. Hoe meer resten op elkaar lijken, qua soortelijk gewicht, qua vorm en of leefwijze (bv ingraafdiepte of afstand van leefgebied tot de kust) hoe groter de kans dat deze resten van deze soorten gelijktijdig aanspoelen.
Seizoenspatronen en correlaties tussen aanspoelingen en de wind zijn leuk voor de strandwachters, maar ecologisch interessanter is of er soorten in de loop van de jaren zijn af- of toegenomen of dat er soort zijn die andere opvallende patronen vertonen. Het was bijna overdonderend om te zien hoeveel opvallende patronen er naar voren kwamen, die onopgemerkt waren gebleven zonder strandwachtgegevens. Van 1978 t/m 1987 nam de Kokkel opvallend sterk af. Het zelfde geldt voor de Tapijtschelp, de Venusschelp, de Gewone slangster, de Penneschaf en de Gorgelpijp. Daarin tegen verscheen de Breedpoot krab in 1981 en nam daarna sterk toe. De Amerikaanse zwaardschede verscheen in 1986 en nam in korte tijd zelfs explosief toe. Opvallend was ondermeer ook het patroon van de Stevige strandschelp, die eerst geleidelijk sterk afnam en daarna weer toenam. Zie verder Gmelig Meyling (1993).
Zodra de resultaten bekend werden, is een oproep geplaatst om de strandwacht Katwijk-Noordwijk weer tot leven te wekken. Op 3 november maart 1991 ging deze weer van start en tot op de dag van vandaag wordt nog wekelijks het traject gelopen.
Andere strandwachten
Min of meer onafhankelijk van de resultaten van het traject Katwijk-Noordwijk gingen in de jaren vanaf 1990 nog acht strandwacht trajecten die tot op de dag van vandaag actief zijn:
- Texel Ayeslag
- Petten
- Schoorl
- Camperduin
- IJmuiden
- Castricum
- Den Haag
- Neeltje Jans
Veranderingen in aanspoelsel als afspiegeling van veranderingen in zee
In 1937 schreef de beroemde weekdier deskundige C.O. Van Regteren Altena in zijn standaardwerk over de weekdieren van de Nederlandse kust: " ......In de verspreiding van de schelpen op ons strand mogen wij een spiegelbeeld zien van de recente mariene mollusken langs onze kust, met dien verstande dat het geen beeld is, zooals dit door een normale spiegel wordt ontworpen, maar veeleer een, zooals we dat kennen van een lachspiegel met zeer grillig oppervlak.......". Uit onderzoek is gebleken dat deze spiegel toch niet zo lachwekkend is maar serieus kan worden bekeken als je maar weet hoe je moet kijken. In 1994 is er een onderzoek gedaan in welke mate veranderingen in zee overeen komen met veranderingen in zee (Gmelig Meyling & De Bruyne, 1994). Bij dit onderzoek zijn strandwaarnemingen vergeleken met monstername gegevens op zee. Uit dit onderzoek komt naar voren dat voor minimaal 30 tot 40 soorten van onze kust geldt dat de veranderingen in het aantal aangespoelde exemplaren overeenkomen met veranderingen in de populaties die zich één tot drie kilometer uit de kust bevinden. Voor sommige soorten geldt dat ook veranderingen verder op zee inzichtelijk kunnen worden gemaakt, zoals voor roggen (zie op één na laatste paragraaf). Dit geldt echter alleen als:
- Er per traject minimaal 25 waarnemingen per jaar worden gedaan, maar bij voorkeur veel meer
- De waarnemingen netjes over het jaar worden uitgevoerd. Dus per maand minimaal twee waarnemingen op het zelfde traject
- Het traject steeds op de zelfde manier wordt onderzocht o.a steeds twee waarnemers per bezoek
- Een niet ervaren waarnemer niet in z’n eentje gaat, maar altijd meeloopt met een ervaren waarnemer.
- Er een goed onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende hoedanigheden waarin een soort kan worden waargenomen, waarbij in ieder geval de “verse” hoedanigheden worden geteld.
- Het aantal waargenomen aantal wordt opgegeven in exacte aantallen of in mbv abundantieklassen
- Er altijd wordt gelet op alle soorten van het formulier, zodat zeker is dat als van een soort geen aantal is opgegeven dat er dan ook nul exemplaren zijn waargenomen.
- Er altijd zowel aan laagwaterlijn als vloedlijn tijd wordt besteed.
- Er altijd een half uur voor laagwater wordt begonnen
- De lengte van een traject ligt tussen 1 tot 4 kilometer
- Het traject altijd volledig wordt gelopen, waarbij men heen langs de laagwaterlijn loopt en terug via de hoogwaterlijn
Nut
Wetenschap alleen is niet genoeg. Alles moet nut hebben. En gelukkig hebben de gegevens die door Strandwachters worden aangedragen dat ook. Met de gegevens kunnen we de overheid informeren over de veranderingen in zee als gevolg van menselijk handelen. Een mooi voorbeeld vormen de veranderingen in het aantal aangespoelde roggeneikapsels.
De meeste roggensoorten zijn pas geslachtsrijp op 8 tot 12 jarige leeftijd. Ze hebben daardoor een grote kans al gevangen te worden voor dat ze tot voorplanting komen. Daarnaast leggen roggen hooguit maar enkele tientallen eieren per jaar. Populaties waaruit veel exemplaren zijn weggevangen kunnen zich daarom maar heel moeilijk herstellen. Roggen zijn daarom zeer gevoelig voor de boomkorvisserij en hun aantallen zijn in zee enorm gedaald. Behalve op basis van aangespoelde eikapsel-waarnemingen kon nooit kwantitatief zichtbaar worden gemaakt hoe dramatisch de veranderingen zijn geweest. Maar op basis van de strandwachtgegevens en oude gegevens van ondermeer de Strandwerkwerkgemeenschap (waarmee zogenaamde virtuele strandwachtroutes konden worden samengesteld) kon met behulp van grafieken worden vast gesteld dat er in ieder geval zes van de tien in de Noordzee voorkomende soorten zeer sterk achteruit zijn gegaan sinds 1945. Van één soort is deze daling minder duidelijk. Van de overige drie soorten zijn te weinig eikapsels waargenomen om daarvoor een analyse te kunnen uitvoeren.
Een ander voorbeeld is dat de overheid steeds meer zorgen krijgt over de gevolgen van exoten. De Amerikaanse zwaarschede is zo’n exoot die oorspronkelijk van de oostkust komt van Amerika en zich hier explosief heeft ontwikkeld. Belangrijk is om te weten wat de effecten zijn van exoten op onze inheemse fauna. Met behulp van strandwachtgegevens kon deze invloed zichtbaar worden gemaakt:
Vanaf 1991 blijven de aantallen aangespoelde Amerikaanse zwaardscheden tamelijk stabiel in tegenstelling tot de algemeen voorkomende weekdieren zoals Witte dunschaal, Rechtsgestreepte platschelp, Tere platschelp, Zaagje, Grote zwaardschede, Nonnetje, Grote strandschelp, Halfgeknotte strandschelp, Amerikaanse boormossel en Klein tafelmesheft. Deze groep inheemse schelpdieren is in de nabije kustzone sterk afgenomen als gevolg van de strenge vorst in 1997. Daarna herstellen al deze inheemse soorten zich niet of nauwelijks. Het is niet onwaarschijnlijk dat door predatie van de larven van deze inheemse weekdieren door de Amerikaanse zwaardschede het herstel wordt bemoeilijkt.
Deze resultaten zijn voor de overheid van groot belang en worden daarom gepubliceerd op de website van het Natuur- en milieu compendium http://www.milieuennatuurcompendium.nl/ en kunnen van invloed zijn op het beleid.

