Skip to content Skip to navigation

Sections
Personal tools
You are here: Home ANEMOON Projecten PIMP Problematiek
Navigation
Document Actions

Problematiek

Tekst: A.W. Gmelig Meyling & J. Willemsen, 15-03-2007

 

Tributyltin (TBT) en de gevolgen daarvan

Tributyltin (TBT) en andere organotinverbindingen worden sinds de jaren zeventig gebruikt in verf om de aangroei van algen en zeepokken op de scheepsromp tegen te gaan. Deze aangroeiwerende verfsoorten worden ook wel antifoulings genoemd. De TBT blijft niet in de verf, maar wordt aan het zeewater afgegeven. Deze gifstof hecht zich vervolgens aan slibdeeltjes en zwevend stof. Op deze manier komt TBT gemakkelijk in de voedselketen terecht. Filterfeeders, zoals mosselen, oesters, en zeepokken filteren het zwevend plankton af en nemen via de darm aldus TBT op. TBT blijft in het lichaam en hoopt zich daar op. De filterfeeders vormen het voedsel van Purperslakken en van vissen en zeevogels. In deze dieren kunnen de concentraties TBT dan ook steeds verder toenemen.

 

PurperslakDe effecten van TBT zijn goed onderzocht. De organotinverbinding veroorzaakt al in zeer kleine hoeveelheden nadelige effecten bij mens en dier. Onderzoek heeft aangetoond dat TBT de hormoonhuishouding van schelpdieren ernstig verstoort, waarschijnlijk mede doordat DNA wordt aangetast. Het gevolg is dat de vrouwelijke Wulken en Purperslakken mannelijke geslachtskenmerken vormen en onvruchtbaar worden. Naast een penis worden ook zaadleiders (vas deferens) gevormd. Deze zaadleiders blokkeren de vrouwelijke geslachtsopening, waardoor het voor de betreffende Purperslak onmogelijk is om nakomelingen te krijgen. Dit verschijnsel noemt men ‘imposex’ en kan al optreden bij enkele nanogrammen TBT (= een miljardste gram) per liter zeewater. De Purperslak is bij blootstelling aan TBT gevoeliger voor imposex dan soorten als de Wulk en de Alikruik. Bij de Purperslak treedt imposex op bij 1 nanogram tin per liter. Bij de Wulk is dat bij 7 nanogram per liter en bij de Alikruik bij 10 tot 15 nanogram per liter.
Overigens blijken Purperslakken ook voor andere milieuverontreinigende stoffen een goede indicatorsoort te zijn. Na het zinken van de olietanker “Erika” voor de Franse kust in 1999, kwam olie vrij met hoge concentraties nikkel en vanadium. Uit onderzoek bleek dat door de hoge bio-accumulatie van beide stoffen in mosselen, ook in Purperslakken een duidelijke verhoging van de concentraties optrad.
Purperslakken vormen daarom een goede indicatorsoort om de effecten van TBT te monitoren. Op een aantal plaatsen in de Oosterschelde en het Grevelingenmeer zijn in 1988 TBT-vrije Purperslakken aan “uithangproeven” blootgesteld. Al spoedig ontwikkelde zich imposex. TBT heeft dus vrijwel zeker invloed gehad op de natuurlijke populaties in de Oosterschelde. In het Grevelingenmeer was de natuurlijke populatie Purperslakken inmiddels verdwenen door de afsluiting van het Grevelingenmeer van de Noordzee, maar TBT zal op andere soorten zoals de Wulk, waarschijnlijk invloed gehad hebben.
Veldwaarnemingen in de jaren ’90 hebben aangetoond dat alle populaties Wulken en Purperslakken in de Noordzee in meer of mindere mate waren aangetast.

 

Beleid ten aanzien van TBT

In 1990 adviseerde de International Maritime Organisation (IMO) te stoppen met het gebruik van TBT houdende verf op kleine schepen, vanwege de giftige werking op oesters en andere weekdieren. In Nederland is daarom het gebruik van TBT-houdende antifoulings vanaf 1 januari 1993 verboden voor schepen kleiner dan 25 meter.

 Purperslak14

Rond 1998 is het OSPAR-verdrag in het leven geroepen door vijftien Europese landen en de Europese Unie (EU), ter bescherming van het zeemilieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan. Zij kwamen overeen dat alle lozingen van alle gevaarlijke stoffen voor 2020 moeten zijn gestopt en stelden een eerste prioriteitenlijst op. Organotinverbindingen staan vermeld op die lijst, maar dat heeft nog niet geleid tot concrete maatregelen. Inmiddels is het gebruik van TBT-houdende verven verboden voor schepen die varen onder vlag van een EU-land. Het merendeel van de schepen vaart echter onder de vlag van buiten de EU. Een wereldwijd verbod op het gebruik van organotinverbindingen is nog niet van kracht.

 

Om de effecten van TBT én de invloed van het beleid op het gebruik van TBT te meten, is vanaf 1 januari 2003 het meten van de biologische effecten van TBT op bepaalde mariene organismen een verplicht onderdeel binnen het Coördinated Environmental Monitoring Programme (CEMP) van OSPAR. In Nederland wordt dit onderzoek uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ). Effecten van TBT moeten worden gemeten in vijf soorten mariene gastropoda (slakken): de Purperslak Nucella lapillus, de Wulk Buccinum undatum, de Noordhoren Neptunea antiqua, de Gevlochten Fuikhoren Nassarius (Hinia) reticulata en de Gewone alikruik Littorina littorea.

 

 

Terug naar:

 

Verder naar:

 

Downloads: